Willem Wilmink over groot en klein; De mens vindt heel de wereld raar

Willem Wilmink: Een hond gaat op reis. Gedichten voor verstandige vijfjarigen. Uitg. Bert Bakker, 36 blz. Prijs ƒ 19,90.

Of Hans Dorrestijn de nieuwe bundel van Willem Wilmink zal durven te lezen - ik vraag het me af. Dorrestijn, schrijver van standaardwerken als Het anti-hondenboek (1976) en Het complete anti-hondenboek (1988), zal dan toch eerst de titel moeten omzeilen: Een hond gaat op reis. En als de titel hem al niet terug doet deinzen, dan is er wel het kleine keffende hondje dat bij wijze van logo op het omslag getekend staat en dat ons, in de vorm van een ornament, op voor- en achterzijde ruim tweeduizend keer toeblaft (ruwe schatting).

Titel en omslag zijn licht misleidend, want op die ene uit het titelgedicht en twee terloopse na valt er verder geen hond te bekennen in Een hond gaat op reis. Wel een spin en een paard, een dinosaurus, twee poezen (te weten ”onze poes Freek' en ”onze poes Nel'), een dode vogel, een grieperige rat, een ernstig zieke vlo, een os en een ezel - de laatste twee inderdaad in een stal, in een grappige herdichting van het verhaal van de geboorte van Christus:

Waar de kou, zo scherp als glas,

drong door elke vezel,

waar de os de vroedvrouw was

en de arts een ezel.

In een bewerking van enkele fragmenten uit Jacob van Maerlants bestiarium Der Naturen Bloeme vinden we verder nog karakteriseringen van de dolfijn, de haring, de kikker, de papegaai, de struisvogel en van de wildeman, een voor zover bekend thans uitgestorven diersoort:

Zijn piemel was soms groot, soms

klein,

als 't bij meer dieren schijnt te zijn.

Wilmink moet zich wel verwant voelen met de middeleeuwse geest van Van Maerlant, en trouwens ook met de 19de-eeuwse geest van De Schoolmeester op wie hij in zijn vrijmoedige bewerking wel eens lijkt. Kinderlijke eenvoud, quasi-wetenschap, sterke verhalen, humor en een zeker goedmoedig moralisme komen in zijn gedichten samen. Met kennelijk plezier last hij tussen passages over het gekwaak van kikkers en de oorbewegingen van het paard de volgende regels over de diersoort mens in:

De mens vindt heel de wereld raar

vanaf zijn zeventigste jaar.

Wat hij ziet dat lijkt groot kwaad,

hij scheldt op alles wat bestaat

(-)

Alles wat een ander zegt

lijkt hem onzin of puur slecht,

zijn eigen wijsheid dunkt hem groot.

Dit duurt voort tot aan zijn dood.

Voor zulke kniesoren zijn Wilminks gedichten niet bestemd. De ondertitel spreekt van ”gedichten voor verstandige vijfjarigen'. Dus dat zijn de lezers die maar al te graag geloven dat een kwartje meer waard wordt als je er een vergrootglas op legt. En die zich wel eens afvragen wat er allemaal in de stofzuiger verdwijnt. En die nog steeds ademloos luisteren naar het elfstedentochtverhaal van opa, over toen het meer dan honderd graden vroor en over die ene schaatser wiens hoofd er bij Sneek al was afgevroren, maar die toch nog op eigen kracht de Bonkevaart wist te bereiken: daar, vlak voor de finish, trof men toen zijn overijverige romp aan, driftig op een dijkje heen en weer klunend, wanhopig op zoek naar de eindstreep. Moraal van opa's verhaal: het gaat er maar om dat je in je doel gelooft ”en koppig blijft, ook zonder hoofd.'

Wilminks poëzie is poëzie van alle tijden en voor alle leeftijden: voor verstandige vijfjarigen, maar vast ook wel voor domme ouderen die nog vijfjarig van geest zijn en die nog ontroerd kunnen worden door een wonderlijk eenvoudig gedicht als dit:

Op 't water vaart een schip met een

blauw licht

langzaam voorbij. Een kind dat

wakker ligt,

daar op dat schip, zal 't zelfde lichtje

zien

en voelt zich veilig, en het denkt

misschien:

wat ook voorbijvaart, steden die je

ziet

en wijde landschappen... mijn lichtje

niet.