Uit zaken (1)

Meneer Geld heeft een beroerde week achter de rug. Het begon, toen hij met zijn stokoude vrachtauto vol tweedehands spullen naar de markt reed. Een politieagent hield hem aan. Die noemde zijn vrachtwagen "een gevaar op de weg' en zei dat meneer Geld nu toch eindelijk een nieuwe bestelbus moest kopen. Anders zou hij een bekeuring krijgen en zou de politie zijn wagen van de weg halen.

De volgende ochtend vroeg belde een ambtenaar van de gemeente aan. Hij was van "bouwtoezicht' en zei dat het pakhuis van meneer Geld op instorten stond. Dat leverde een levensgevaarlijke situatie op voor voorbijgangers, klanten en meneer Geld zelf. Een grondige verbouwing van de opslagloods leek de ambtenaar zonde van het geld. “U kunt ons beter een sloopvergunning vragen, de boel afbreken en een nieuw bedrijfspand laten neerzetten”, zei de gemeenteman op officiële toon.

Alsof dat allemaal niet genoeg was, lagen er diezelfde avond verschillende blauwe enveloppen op tafel. Mevrouw Geld had ze niet durven openmaken, omdat ze wel vermoedde wat erin zat: aanslagen van de belastingdienst, die de komende maanden zouden moeten worden betaald. Meneer Geld durfde de enveloppen best open te maken, maar hij schrok van de inhoud.

Wanneer hij aan het eind van de week de kas heeft opgemaakt, probeert de marktkoopman de schade te becijferen. De aanschaf van een tweedehands bestelbus kost toch al snel 15.000 gulden. De belastingdienst wil in totaal 25.000 gulden van hem hebben. Een nieuw pakhuis zal meer dan een ton vergen (een 'ton' is 100.000 gulden). Zo rijk is Zak Geld op geen stukken na. Hij bespreekt het probleem met zijn vrouw. Die oppert dat ze misschien geld van de bank kunnen lenen. Maar meneer Geld vindt dat geen goede oplossing. “Dan moeten we voortaan elke maand een hoop rente gaan betalen”, zegt hij. “Zo houden we bijna niets over om van te leven. Nee, dat gaat niet.”

“Je wordt al een dagje ouder. Misschien moet je met de handel stoppen”, stelt zijn vrouw voor. “Dat is gezellig, dan kunnen we samen de hele dag doen waar we zin in hebben. Wandelen in de bossen, oude stadjes bekijken.”

“Ik zou de klanten enorm missen”, werpt meneer Geld haar tegen. “Weliswaar verdien ik soms weinig, maar de gezelligheid van de markt maakt veel goed. En wanneer ik zou gaan rentenieren, moeten we dan soms van de wind leven?”

Zijn vrouw zegt: “Wat ben je soms toch een dom konijn.” Dat bedoelt ze aardig. “Weet je niet dat je over twee maanden 65 jaar wordt? Daarna krijgen we elke maand een AOW-uitkering van meer dan 1950 gulden in de maand. Dat is meer dan je nu vaak verdient. Als we zuinig aandoen, kunnen we er goed van rondkomen. We behoeven immers geen huur te betalen, omdat dit huis van onszelf is.”

Meneer Geld kijkt bedenkelijk. “Slaap er nog maar eens een nachtje over”, zegt zijn vrouw tegen hem. “Van mij mag je best blijven werken, maar dat heb je je hele leven al gedaan. Je hebt het verdiend om te genieten van je oude dag.”

Het duurt nog wel twee weken, voordat Zak Geld ten slotte de knoop doorhakt: hij stopt ermee. Maar dat gaat zomaar niet.