Twijfel over datum inkennisstelling vonnis aan Luitjens; "Zes maanden geleden ingelicht'

ROTTERDAM, 27 NOV. De uit Nederland afkomstige oorlogsmisdadiger Jacob Luitjens die vandaag op Schiphol wordt verwacht, is pas zes maanden geleden door de Nederlandse justitie officieel op de hoogte gebracht van het vonnis van 1 september 1948 waarbij hij bij verstek tot levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. Dat zegt Luitjens' advocaat mr. A.M.M. Orie van het kantoor Wladimiroff & Spong, bekende Haagse strafpleiters.

Luitjens heeft altijd volgehouden dat hij niet van zijn veroordeling wist. Pas in 1983 zou hij daarvan op de hoogte zijn gekomen, toen mr. P.M. Brilman, de officier van justitie voor de opsporing van oorlogsmisdadigers, hem een afschrift van het vonnis zond.

Over de vraag hoe officieel deze inkennissteling was, lopen de opvattingen uiteen. Luitjens' advocaat wijst daartoe op de verzetprocedure die hij - na de betekening van het verstekvonnis - is begonnen. Verdachten die niet op de zitting aanwezig zijn waarop hun vonnis is uitgesproken, kunnen daartegen volgens het Wetboek van strafvordering binnen twee weken in verzet gaan. Bij zo'n verzetprocedure moet de veroordeelde dan wel persoonlijk op de zitting verschijnen.

Luitjens moet daarvoor bij de rechtbank in Assen zijn, omdat die opvolger is van de Derde Kamer (te Assen) van het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden die hem 44 jaar geleden bij verstek tot levenslang veroordeelde. Komen bij verstek-veroordeelden niet opdagen, dan vervalt het ingestelde verzet.

Volgens het vonnis uit 1948 had Luitjens zich schuldig gemaakt aan hulpverlening aan de vijand en als hulp-landwachter meegedaan aan arrestaties en huiszoekingen. Luitjens' verzet-procedure begon op 26 mei van dit jaar in Assen, maar werd niet direct gegrond verklaard. De rechtbank stelde de behandeling uit, omdat de oproeping volgens raadsman Orie niet deugdelijk, namelijk per fax, was gedaan. Ook zou hij de kosten van de reis naar Nederland niet kunnen betalen. De officier van justitie, die op het standpunt staat dat Luitjens' verzet vele jaren te laat komt, veronderstelde echter dat hij uit vrees voor arrestatie niet verscheen.

Nog twee keer, in september alsook deze week, werd de behandeling van de verzet-procedure door de rechtbank opgeschort en voor onbepaalde tijd aangehouden. Als voordeel van Luitjens' komst naar Nederland noemt Orie het feit dat diens verzet als hij binnenkort bij de rechtbank in Assen zou verschijnen, niet vervallen kan worden verklaard. Als de rechtbank tot dezelfde conclusie komt, zou dit betekenen dat Luitjens' strafzaak opnieuw in behandeling komt.

Vrijwel op hetzelfde ogenblik waarop het vonnis in april 1992 in Vancouver werd betekend, deed staatssecretaris Kosto (justitie) een tweede verzoek aan de Canadese regering om Luitjens aan Nederland uit te leveren. Een eerste verzoek in het begin van de jaren '80 liep uit op een mislukking, omdat het Nederlands-Britse uitleveringsverdrag van 1898 het delict waarvoor Luitjens was veroordeeld (hulpverlening aan de vijand, artikel 102 van het Nederlandse wetboek van strafrecht), niet kende.

Over het tweede uitleveringsverzoek, dat mogelijk werd door het nieuwe uitleveringsverdrag tussen Nederland en Canada van 13 oktober 1989, is door de Canadese regering nog geen beslissing genomen. Wel heeft de immigratierechter in Vancouver begin deze week beslist dat Luitjens, nadat hem drie maanden geleden de Canadese nationaliteit was ontnomen, het land moest verlaten.

Tegen deze beslissing was beroep mogelijk, maar dat had volgens Orie geen opschortende werking. Met gevolg dat de statenloze Luitjens vandaag in Nederland arriveert en dan, aldus de Assense officier van justitie H.A. Marquart Scholtz, onmiddellijk in hechtenis wordt genomen.

Voor het delict "hulpverlening aan de vijand' zijn na 1945 dertien Nederlanders ter dood veroordeeld, 26 tot levenslang, 489 tot tien jaar of meer, 1.160 tot een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar en 1.238 tot opsluiting voor één tot vijf jaar.

Volgens A.D. Belinfante (In plaats van bijltjesdag; de geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog, Assen 1978) is aan landwachters en mensenjagers vaak niet te laste gelegd wat zij werkelijk hadden gedaan (moord of mishandeling), maar "hulpverlening aan de vijand', omdat dat makkelijker te bewijzen was en de openbare aanklager bij de bijzondere rechtspleging verlost werd van allerlei ingewikkelde bewijsvoeringen. Wat deze veroordelingen betreft wees K. Groen, schrijver van het boek Landverraad; de berechting van collaborateurs in Nederland (Weesp, 1984), er in 1988 in deze krant op dat justitie na 1945 een kleine tweehonderdduizend zaken te behandelen kreeg en dat vooral het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden met de berechting van meer dan 24.000 verdachten uit het noorden van het land extreem zwaar belast was. Als gevolg daarvan en van de chaotische tijd na de bevrijding slaagden vele verdachten (zoals Luitjens) erin onder te duiken of een goed heenkomen, vaak in Duitsland, te vinden. Dat Luitjens in 1948 veroordeeld werd tot levenslang, was niets bijzonders want dat was volgens Groen in die tijd zo'n beetje de standaardstraf voor landwachters die samen met de Duitsers op joden en verzetsmensen joegen.

Zou de uit Canada gezette Luitjens hier nog straf moeten uitzitten, dan duurt dat volgens Groen waarschijnlijk niet erg lang. De praktijk van de jaren '70 en '80 heeft aangetoond dat aan alsnog gegrepen bij verstek tot levenslang veroordeelden meestal aanzienlijke strafvermindering is gegeven. Van alle in de periode 1945-1988 veroordeelde oorlogsdelinquenten, zat, zo schreef Groen, in 1988 helemaal niemand meer. Behalve toen nog de Twee van Breda, die naar zijn mening de “schaamlap vormden waarmee het falen van de bijzondere rechtspleging werd bedekt”.

"Operatie Deportatie Luitjens' is voor Canada geslaagd afgelopen. Gisteravond om zeven uur werd Luitjens op het vliegtuig gezet naar Nederland. Luitjens, die via Londen vloog, zou vanmiddag op Schiphol aankomen. Om vier uur gistermiddag kwamen enkele Canadese immigratie-ambtenaren hem thuis afhalen. Luitjens kreeg nog de gelegenheid om in de deuropening afscheid te nemen en verdween daarna in een wit geblindeerd busje richting vliegveld. Daar werd hij via een dienstingang naar zijn vertrek-gate gebracht. Luitjens vloog in gezelschap van een immigratie-ambtenaar en in elk geval één familielid.

De Canadese immigratiedienst en Luitjens' advocaat John Campbell hebben er alles aan gedaan om het moment van uitzetting geheim te houden. Campbell hield zich gisteren schuil en zelfs een bezoek aan zijn kantoor, waar de advocaat in bespreking zou zijn, mocht niet baten. Campbell was niet beschikbaar voor commentaar. De mare ging dat in de afgelopen dagen Luitjens' advocaat en de afdeling Immigratie het op een akkoordje hebben gegooid. Luitjens zou alle medewerking verlenen aan de autoriteiten, die op hun beurt een zo geruisloos mogelijke aftocht zouden verzorgen.

Luitjens is in feite net zo stiekem uit Canada vertrokken als hij er 31 jaar geleden is binnengekomen. Toen moest hij liegen om toegelaten te worden, nu vertrekt hij uit het land via de achterdeur. Nadat hij was ontmaskerd als collaborateur gaf Luitjens als commentaar: “Er is een spreekwoord in Nederland dat zegt: "Hoe meer je in de stront roert, hoe erger het stinkt.' ”