Twijfel aan nut van aparte klassen voor allochtone meisjes

AMSTERDAM, 27 NOV. Leerplichtambtenaren en onderwijsmedewerkers van stadsdelen in Amsterdam hebben kritiek op het voorstel van staatssecretaris Wallage (onderwijs) om aparte leslokalen voor Turkse en Marokkaanse meisjes toe te staan.

Wallage hoopt dat door het instellen van aparte klassen het hoge schoolverzuim onder deze meisjes kan worden verminderd. De Amsterdamse leerplichtambtenaren betwijfelen of dat zal lukken. Zij menen dat juist alles moet worden geprobeerd om deze kinderen aan het reguliere onderwijs te laten deelnemen. Alleen in uiterste gevallen moet de oplossing van gescheiden leslokalen worden aangedragen, zegt W. Hemrika, leerplichtambtenaar van het stadsdeel Oost.

“Anders draaien we de klok terug”, meent ook leerplichtambtenaar H. van Buijtenen van stadsdeel Zuid. Hij is bang dat de groep ouders die eist dat hun dochter onderwijs in aparte leslokalen krijgt, aanzienlijk zal groeien. “Als de mogelijkheid er is, zullen ze daar eerder gebruik van maken. Het gevolg is dat ze vaker hoofddoekjes gaan dragen in de klassen en niet meedoen met gymnastiek en zwemmen. Het is juist belangrijk dat zij meedoen aan de dingen die onze maatschappij hen biedt.”

Ook M. van Thienen, beleidsmedewerkster Onderwijs voor het stadsdeel Bos en Lommer vindt het door Wallage begin deze week bij de presentatie van de Onderwijsemancipatienota bekendgemaakte voorstel een stap terug. Amsterdam heeft er volgens Van Thienen jarenlang op gehamerd allochtone meisjes deel te laten nemen aan het normale onderwijs.

Tien jaar geleden ging voor Turkse en Marokkaanse meisjes uit stadsdeel Bos en Lommer het "Dagprogramma voor Islamitische Meisjes' (DIM) van start, om kinderen te stimuleren naar school te gaan. Behalve lessen die vergelijkbaar zijn met die van het voortgezet onderwijs krijgen zij lessen waarin zij worden voorbereid op de overstap naar het gebruikelijke onderwijs waar zij wel gemengd les krijgen. De lestijden zijn zo aangepast dat de meisjes thuis nog huishoudelijk werk kunnen doen. Volgens Van Thienen is het beter kinderen dit programma te laten volgen dan meteen het alternatief van een aparte meisjesklas te bieden.

Het project heeft inmiddels vrucht afgeworpen, aldus M. Pennekamp van het Psychologisch-Pedagogisch Instituut waar het DIM-project een onderdeel van is. Ruim de helft van de meisjes komt terecht in het "gewone' onderwijs. “Meestal het kort middelbaar beroepsonderwijs, waar ze de textielrichting ingaan.” Volgens Pennekamp haalt het grootste gedeelte van deze "doorstromers' een diploma.

De zeventien leerplichtambtenaren in Amsterdam komen ieder gemiddeld tien keer per jaar in aanraking met Turkse en Marokkaanse ouders die hun dochters niet naar het voortgezet onderwijs sturen: jaarlijks zou het dus gaan om ten minste 170 kinderen. Landelijk wordt het aantal Turkse en Marokkaanse meisjes dat niet naar school gaat geschat op maximaal tweeduizend. Het schoolverzuim neemt toe zodra de meisjes in de puberteit komen.

De gemengde lessen zijn volgens Van Thienen niet de enige reden waarom ouders hun dochters niet langer naar school sturen. “Soms willen zij het kind thuishouden voor huishoudelijke klussen. Of ze vinden het gewoon een probleem dat de school niet in de directe omgeving van hun huis ligt”, aldus Van Thienen.

Niet bekend

Volgens Mulder komt het in Osdorp enkele keren per jaar voor dat de ouders zich weinig aantrekken van de meerdere malen per jaar verstrekte boetes. Soms wordt alsnog een voor beide partijen aanvaardbare oplosing gevonden. “De leerplichtige doet dan bijvoorbeeld alleen niet mee tijdens de sportlessen”, aldus Mulder. Niet altijd komt het tot een overeenkomst. “Soms is een meisje ineens verdwenen. Dan sturen ze haar naar Turkije of wordt ze uitgehuwelijkt.”