Theodor Holman is de sigaar

Toegegeven, zegt de geïnter- viewde via de radio, hij heeft de dood van zijn vader enigszins gebagatelliseerd. Uit doodsnood. “Het is onverdragelijk je vader dood te zien liggen. Door even de bril omgekeerd op zijn hoofd te zetten wordt het wèl te verdragen. Dan is het vader niet meer, dan is het een raar object geworden.” Trouwens, het meeste is uit de duim gezogen. Behalve de sfeer die eigenlijk vrij monter is, zoals dat wel vaker in sterfhuizen voor komt.

Theodor Holman aan het woord over zijn pas verschenen novelle Familiefeest.

Familiefeest? Nooit van gehoord? Dat klopt, het boek wordt geheel door de dag- en weekbladkritiek genegeerd. Dat ligt niet aan het geschrevene, waarvan ook een blinde kan zien dat het goed, origineel, humoristisch-absurd en van tijd tot tijd aangrijpend is. Het ligt voornamelijk aan de auteur die in zijn onstuitbare publikatiedrift inmiddels precies vijfduizend tweehonderdeenendertig artikelen en artikeltjes heeft geschreven, waarmee hij zich bij een groot deel van spraakmakend Nederland onpopulair heeft gemaakt. Ook bij het recenserend deel der natie, waarover hij zo zijn kritische opvattingen heeft. En omdat de Nederlandse criticus zelden genereus is, wordt Holman, hoe ijverig hij ook de toppen der Olympus tracht te beklimmen, als quantité négligeable terzijde geschoven. Vandaar dat hij deze week in zijn doodsnood maar zèlf aan het recenseren is geslagen. “Ik heb godverdomme een schitterend boek geschreven. Niemand bespreekt het.” Behalve Dieuwertje. “Dieuwertje vindt het mooi.”

Of is die merkwaardige stilte rond dit boek te wijten aan het feit dat het qua presentatie de indruk maakt weer zo'n bijeengeharkte collectie columns te zijn? Het is mogelijk. Columns worden niet besproken, behalve in de zogenaamde P-café's binnen de hoofdstedelijke grachtengordel, drankdoordesemde poelen des verderfs, waarin niet zelden de pinnige mening wordt voorgeformuleerd die de lezer 's anderendaags in zijn dagblad aantreft. Holman kan het zich beroepshalve niet permitteren dit soort gelegenheden links te laten liggen. Hij is een echte columnist. Zijn meeste collega's permitteren zich het gemakzuchtige gemiddelde van een stukje per week. Holman schrijft ten minste een stukje per dag, ook als hij met een zware griep annex een lichte alcoholvergiftiging in bed ligt. Het is niet allemaal even hoogstaand, maar het is ook bepaald niet slecht en met enige regelmaat is het zelfs briljant.

Hij is een actief onderdeel van het culturele klets- en kakelcircuit, wat iets anders is dan het culturele ritsel- en foezelcircuit, waar hij juist tégen is. Nooit heb ik begrepen hoe hij aan zijn beroerde reputatie komt. Hij heeft zo zijn twijfels over de moordaanslagen op Conny Braam en hij is van mening dat Harry Mulisch voornamelijk met paradoxen goochelt. Dat mag je vinden en dat mag je opschrijven, lijkt mij, vooral als ieder ander de verhalen van Conny Braam klakkeloos gelooft en het boek van Mulisch overal elders blind van bewondering wordt besproken.

Toen Holman een decennium geleden in Het Parool, zijn belangrijkste tribune, begon te publiceren was deze krant enigszins versuft, met een disproportionele aandacht voor de damsport en het amateurhengelen in de hoofdstedelijke Boerenwetering. Dat dit dagblad inmiddels weer een aangenaam soort anarchisme uitstraalt, is in niet onbelangrijke mate de verdienste van Holman - èn de verdienste van de hoofdredacteur die hem al die jaren lang tandenknarsend tolereert.

Hoe komt Holman er trouwens bij zichzelf in één van zijn columns "tamelijk laf' te noemen? Het tegendeel is het geval, iemand die vijanden verzamelt alsof het postzegels zijn, kan onmogelijk durf worden ontzegd. Zelfs zijn ogenschijnlijk oppervlakkigste columns gaan allemaal over de ingewikkeldheden, moeilijkheden, pijnlijkheden en treurigheden des dagelijksen levens. Echt, het schrijven van een commentaar op de Tussenbalans of het vervaardigen van een snerpende beschouwing over het oprukkend rechtsradicalisme ten oosten van Winterswijk, dat kan iedere onderknuppel die de eerste drie letters van het alfabet in de juiste volgorde op kan zeggen. Het is in elk geval vele malen eenvoudiger - en risicolozer - dan het thema waarin die rare Holman zich heeft gespecialiseerd: de onoverzienbare puinhoop die de meesten onzer van ons leven maken.

Het slapen heeft hij inmiddels afgeschaft. Met hem vergeleken zijn groothandelaren in bedrukt papier als Simon Vestdijk en George Bernard Shaw vegeterende parasieten. Ik tel de afgelopen drie weken drie rubrieken voor De Groene, drie afleveringen van de Paroolrubriek Oorlog & Vrede (die dus over de liefde gaat), negen afleveringen van de Paroolrubriek Holmans Hoofdstad, twee paginavullende artikelen voor HP/De Tijd/Helaas Zelden Bezorgde Krant op Zondag, plus alles wat ik over het hoofd heb gezien omdat een mens wel bijna alles, maar niet alles lezen kan.

En wie treft ik daar in het Amstelhotel, waar ik dinsdag toevallig een broodje kalfskroket kwam halen? Het is Theodor Holman, op stand dinerend met de heren van de sigarenindustrie. Daarvoor heeft hij tussen de bedrijven door een boekje geschreven waarin de nobelste aller brandbare geurgewassen in een letterkundig perspectief is geplaatst. Normaal gesproken rookt hij shag. Nu heeft hij een torpedovormige Vorstenlanden tussen de lippen geklemd. “Er is voor mij werkelijk een hele nieuwe wereld opengegaan”, zegt hij kokhalzend, zijn opdrachtgevers binnen gehoorafstand wetend; zij zijn te beleefd om hem te vertellen dat hij het rookgerei aan precies de verkeerde kant heeft aangestoken. Opgelucht legt de auteur het genotsmiddel terzijde, want hij wordt geacht een stukje van zijn novelle voor te lezen. “Ik sla de eerste drie hoofdstukken maar over”, begint Holman. “Dan zijn inmiddels de drama's voorgevallen, die in onze familie gebruikelijk zijn...” Zijn oude moeder, die hem altijd bij dit soort festiviteiten vergezelt, glimlacht.