Pop is de invloedrijkste kracht in de wereld; Jay McInnerley over Scott Fitzgerald, de jaren tachtig en de Amerikaanse droom

Jay McInerney wordt beschouwd als de woordvoerder van een generatie. Maar van welke generatie eigenlijk? Hij is beïnvloed door de flower-powergeneratie, heeft zich verveeld in de jaren zeventig, en genoot in de jaren tachtig, tot de klap kwam met de beurscrash van 1987. Daarover gaat zijn laatste boek "De schittering valt'. “Er zijn heel wat wilde dingen over yuppies beweerd”, zegt de schrijver, “dus het werd tijd dat iemand ze eens vereeuwigde als mensen van vlees en bloed.”

Jay McInerney: De schittering valt. Uitg. Agathon, 424 blz. Prijs ƒ 39,90. -: Brightness Falls. Uitg. Alfred Knopf, 416 blz. Prijs ƒ 50,60.

De enige goede Amerikaanse schrijver, zo verklaarde Norman Mailer dertig jaar geleden, is een schrijver met een imago. Literair talent alleen is niet genoeg - om zo overtuigend mogelijk over te komen, moet de auteur een onderdeel van zijn werk zijn. Hij moet het voorbeeld volgen van Edgar Allan Poe, die net zo grotesk en neurotisch leefde als de personages in zijn verhalen; of van William Faulkner, die schreef over het Oude Zuiden en zich in het dagelijks leven gedroeg als een southern gentleman van vóór de Burgeroorlog. Grote schrijvers, kortom, lijken bij voorkeur weggelopen uit hun eigen boeken.

Jay McInerney (37) moet een Amerikaan naar Mailers hart zijn, een schrijver met een image. In 1984 debuteerde hij met Bright Lights, Big City, een originele en humoristische novelle over een Newyorkse yup in een identiteitscrisis. De critici waren enthousiast; het boek werd een bestseller. McInerney kreeg internationaal bekendheid als de voorman van "The Brat Pack', de groep jonge Amerikaanse schrijvers die inspiratie vond in het grote-stadsleven van yuppies en (andere) decadente rijken; en met de opbrengst van Bright Lights, Big City mat McInerney zich de levensstijl van zijn personages aan: hij reed in snelle auto's, droeg Italiaanse pakken en - vooral tijdens interviews - Ray Ban-zonnebrillen, gebruikte speed en cocaine, en begaf zich van nachtclub naar party naar vernissage.

Het gevolg was dat hij niet meer serieus genomen werd. “Ik voelde me geweldig in de rol van Beroemde Schrijver”, zegt hij nu. “Plotseling had ik alles: geld, roem, vrouwen, elke dag aandacht van de media. Maar ik had beter uit de schijnwerpers kunnen blijven. Hoewel mijn werk niet onder mijn populariteit geleden heeft, was het snel gedaan met mijn goede reputatie. De critici werden me moe. Mijn tweede roman Ransom, over Amerikanen in Japan, werd gekraakt als een geforceerde poging om te ontsnappen aan mijn imago als yuppie-schrijver. Toen ik drie jaar later Story of My Life publiceerde, was het weer niet goed: dit keer vond de kritiek dat die McInerney maar eens op moest houden om altijd over yuppies te schrijven!

“Je kunt maar beter geen imago hebben. Vroeger was dat anders. Als Hemingway en Scott Fitzgerald een teruggetrokken leven hadden geleid, dan waren ze nooit zo prominent in de American Hall of Fame terechtgekomen. Zij cultiveerden een mythisch beeld van zichzelf; de een was de avontuurlijke macho die dronk en jaagde en sportte, de ander was de playboy die zichzelf in stijl te gronde richtte. Daarbij hadden ze één groot voordeel: in hun tijd waren de massamedia nog niet zo overweldigend. Hemingway en Fitzgerald hoefden zichzelf niet in drie minuten voor de tv te laten versimpelen; hun publieke persoonlijkheid werd nooit, zoals in mijn geval, een karikatuur.”

Acht jaar na Bright Lights, Big City heeft Jay McInerney bewezen dat hij niet de overschatte eendagsvlieg is waar velen hem voor hielden. Deze zomer verscheen zijn vierde roman Brightness Falls, een ambitieus werk over het New York van de jaren tachtig. De schittering valt, zoals het boek in de onbeholpen en veel te letterlijke Nederlandse vertaling heet, beschrijft een jaar uit het leven van Russell en Corinne Calloway, twee young urban professionals die verstrikt raken in de beurshausse en de overname-gekte op Wall Street die vooraf gingen aan de crash van oktober 1987 ("Zwarte Maandag'). In de laconieke stijl van McInerney werd De schittering valt niet alleen een spannende en vermakelijke satire op de Newyorkse beurs- en uitgeverswereld, maar ook een aangrijpend verslag van een goed huwelijk dat kapot gaat aan hebzucht en ambitie. “Er zijn heel wat wilde dingen over yuppies beweerd”, zegt de schrijver, “dus het werd tijd dat iemand ze eens vereeuwigde als mensen van vlees en bloed.”

McInerney (“een Ierse naam, klemtoon op de voorlaatste lettergreep”) is een paar dagen in Nederland ter gelegenheid van de vertaling van Brightness Falls. Ik spreek hem in zijn hotel, een klassiek ingericht grachtenpand dat iedere verdenking van trendiness vermijdt. De bijna sjofel geklede auteur vertelt dat hij het snelle leven alleen nog in deeltijd leidt; de helft van het jaar woont hij in Nashville, Tennessee, op het landgoed van zijn (derde) vrouw Helen. “Er is geen privacy in New York, en nooit rust. Als je te lang in de stad rondhangt, zie je niet meer wat er omgaat. Je ogen worden blasé. In Nashville, waar het tempo lager ligt, verzamel ik energie die nodig is om in New York goed te functioneren.”

Beschouwt u zich als een Newyorker?

“Ik ben geboren in Hartford, Connecticut, maar omdat mijn vader voor zijn werk telkens moest verhuizen, heb ik me nooit ergens thuis gevoeld. Dus ging ik na mijn studietijd naar New York. New York is een plaats voor mensen die geen thuis hebben, een opeenhoping van ambitieuze en rusteloze figuren uit de hele wereld. In het Zuiden, waar men een sterk gevoel voor geschiedenis en regionale identiteit heeft, hoor je er bij wijze van spreken niet bij als je familie niet heeft meegevochten in de Burgeroorlog. In New York vraagt niemand je waar je geboren bent of waar je vandaan komt. Als je een Newyorker wilt zijn, dan verhuis je naar New York en dan ben je er een. Zo is het bij mij ook gegaan - en hoe meer ik over de New York schrijf, hoe meer het mijn vaderstad wordt.”

Heeft New York u ook als schrijver gevormd?

“Niet echt. Ik heb van jongs af aan geschreven en ging al naar de universiteit met het idee om schrijver te worden. Ik koos filosofie als hoofdvak: Williams College in Massachusetts was nogal traditioneel en deed niet aan frivoliteiten als theater of creatief schrijven. Dat conservatisme sprak me aan, voordat je nieuwe dingen kunt doen moet je eerst je klassieken beheersen. Na mijn examen ben ik naar Japan gegaan; het was 1977, in Amerika leek niets interessants te gebeuren, en ik besloot om, zoals een ambitieus Amerikaans auteur betaamt, expatriate writer te worden. Twee jaar later was ik terug, zonder De Grote Roman. Ik kreeg een baantje bij een tijdschrift, maar besloot weer te gaan studeren toen ik hoorde dat mijn idool Raymond Carver schrijflessen gaf op Syracuse University.

“Ik heb nooit geloofd in het idee dat je schrijven kunt leren; creative writing is de dood in de pot voor de Amerikaanse literatuur. Maar Carver was iets anders. Hij had geen theorieën over wat fictie was of wat het moest zijn - wat hij deed was kritisch lezen en commentaar geven. Hij ging mijn werk zin voor zin na en stelde vragen, over de motivatie van mijn personages, over het gebruik van bepaalde woorden. Ik ben tot zijn dood met hem bevriend gebleven. Toen ik hem het manuscript van Bright Lights liet lezen, gaf hij me een blurb, een lovend citaat voor op de achterflap. Bright Lights was anders dan de verhalen die hij schreef, maar hij haatte epigonisme. Zoals de meeste schrijvers van mijn generatie was ik ooit begonnen als Carver-imitator, maar gelukkig lag die fase al lang achter me toen ik hem leerde kennen.”

Zijn er andere schrijvers die u hebben beïnvloed?

“Ik heb grote bewondering voor Mark Twain. Zoals Hemingway al zei: de hele moderne Amerikaanse literatuur komt voort uit Huckleberry Finn. Twain dichtte de kloof tussen algemeen beschaafd Engels en alledaags Amerikaans. Met Huck Finns monologen in dialect liet hij zien dat literaire taal niet per se schrijftaal hoeft te zijn. Twain heeft de Amerikaanse literatuur al een eeuw geleden bevrijd van de taaltirannie waarmee sommige Engelse en Franse schrijvers nóg worstelen. Hij heeft ons teruggebracht naar Shakespeare, die er per slot van rekening ook geen been in zag om verheven taal te vermengen met de poëzie van de straat.

“Fitzgerald is me het dierbaarst, een romantisch dichter met een sobere stijl die zich opwierp als de chroniqueur van zijn tijd. Zijn Great Gatsby mag dan een dun boek zijn, voor mij is het de Grote Amerikaanse Roman bij uitstek. Je zou Fitzgerald de uitvinder van het begrip "generatie' kunnen noemen. Zijn verhalen gingen over mensen van zijn leeftijd, over de twintigers die de Eerste Wereldoorlog hadden meegemaakt en die tot de ontdekking kwamen dat de wereld van hun ouders niet meer de hunne was. Fitzgeralds idee van een "Lost Generation' spreekt me aan.”

U wordt zelf ook de "spreekbuis van een generatie' genoemd. Bij welke generatie voelt u zich betrokken?

“Ik ben net oud genoeg om beïnvloed te zijn door de ideeën en de smaak van de flower-powergeneratie. Maar net als Russell in Brightness Falls lijd ik er onder dat ik de sixties eigenlijk niet heb meegemaakt. De jaren zeventig waren ongelooflijk saai, we konden alleen maar hopen op betere tijden. Toen kwam Reagan. Hij wekte de illusie dat Amerika weer rijk en flitsend was. Het Carter-tijdperk van krimp en twijfel was voorbij: de economie bloeide, de kunsthandel kon de vraag niet aan, er debuteerden weer jonge schrijvers, en in New York ging elke dag een nieuw restaurant open - iedereen leek te profiteren van de grote geldbuil op Wall Street.

“De jaren tachtig waren dynamisch. Voor een kleine groep was het een groot verbroederingsfeest: kunstenaars lunchten met beleggers en dineerden met schrijvers en rocksterren. Het kon natuurlijk niet duren: in de maanden die volgden op Zwarte Maandag was het alsof je wakker werd na een groot feest waarvoor je geld had geleend: je hebt een verschrikkelijke kater, al het meubilair is kapot, en je moet beginnen met afbetalen.

“Voor een schrijver waren het mooie tijden. Verdorven gedrag is altijd leuker om over te schrijven dan brave burgerlijkheid, en met Reagan en Bush kwamen inhaligheid en egoïsme in de mode. Het komend decennium zal waarschijnlijk niet de karikaturale herkenbaarheid van de jaren tachtig hebben. Sociale bewogenheid krijgt weer een kans, zonder dat de verwachtingen zo hoog gespannen zijn als in de sixties. Dat is goed voor het land. Als schrijver troost ik me dan met de gedachte dat menselijke domheid en hebzucht constante factoren zijn.”

Bright Lights, Big City werd gezien als het boek dat een tijdperk karakteriseerde. Wilt u ook zo'n boek over de jaren negentig schrijven?

“Bright Lights was een klassieke eerste roman, een "coming-of-age novel'. Dat zijn vaak de romans die de geest van de tijd het best vastleggen. Denk maar aan Fitzgeralds This Side of Paradise of Salingers The Catcher in the Rye. Zo'n soort boek zal ik, kan ik, nooit meer schrijven; het is aan een jong iemand om met de Bright Lights, Big City van de jaren negentig te komen.”

In Bright Lights raadt iemand de hoofdpersoon aan om een boek over de zakenwereld te schrijven: "the guys who understand business are going to write the new literature.' Is Brightness Falls een voorbeeld van die "nieuwe literatuur'?

“Die "goede raad' was eigenlijk een grap; niet voor niets is het een dronken lor die ermee aankomt. Maar ik had toen wel al vage plannen voor een boek over Wall Street. Ik vond het vreemd dat er sinds het einde van de vorige eeuw geen enkele Amerikaan was geweest die had geschreven over de voornaamste bezigheid van de Amerikaanse samenleving: geld verdienen. Het rondwervelen van al dat geld in de jaren tachtig was volgens mij een prachtig onderwerp. Dat ik niet de enige was die op die gedachte was gekomen, werd duidelijk toen in 1987 Tom Wolfe The Bonfire of the Vanities publiceerde en Oliver Stone de film Wall Street uitbracht.”

Maaide Tom Wolfe het gras niet voor uw voeten weg?

“Toen The Bonfire of the Vanities uitkwam was ik net bezig me in te lezen in het werk van negentiende-eeuwse schrijvers als Thackeray en Dickens. Ik wilde een breed maatschappelijk fresco schilderen en kon weinig moderne voorbeelden vinden. Wolfe's boek was een briljante satire, en in dat opzicht een nieuwe standaard. Maar het was - gelukkig - niet de roman die mij voor ogen stond. De personages in The Bonfire waren karikaturen, komisch maar zielloos; Sherman McCoy, de hoofdpersoon, herinnerde me aan die beroemde zin uit Elvis Costello's "Watching The Detectives': he can't be wounded 'cause he's got no heart. Mijn twee helden moesten de lezer ook kunnen roeren.”

In Brightness Falls worden hebzucht en overspel gestraft, en komen de hoofdpersonen op hun pootjes terecht. Het lijkt wel een Victoriaanse roman.

“Zo eenvoudig ligt het niet. Ik geloof niet in een wereld waarin het goede wordt beloond en het kwade bestraft. De grote beurspiraten en aandelenzwendelaars komen de crash zonder kleerscheuren door, net als in het echte leven. De flamboyante Jeff Pierce, een van de sympathiekste figuren uit het boek, moet zijn schrijverschap met de dood bekopen. En Russell en Corinne mogen elkaar dan weer vinden, hun leven is heel wat minder leuk dan aan het begin van het boek: ze kunnen elkaar nooit meer helemaal vertrouwen en ze zijn hun geld en hun baan kwijt. Het einde van Brightness Falls is somberder dan de gemiddelde Victoriaanse roman - het is niet zo dat de held plotseling een weeskind met een steenrijke vader blijkt te zijn.

“Brightness Falls is niet alleen een requiem voor de dolle jaren tachtig, maar ook een grafschrift voor de jeugdige illusies van de hoofdpersonen. Russell en Corinne zijn begin dertig, ze voelen dat het leven steeds minder maakbaar wordt. Plotseling realiseren ze zich dat hun mogelijkheden niet langer onbegrensd zijn, dat hun horizon smaller wordt. De schittering valt, net als op Wall Street en in het Amerika van Reagan.”

Al uw boeken gaan over decadentie. Is Amerika een natie in verval?

“Ik denk niet dat de Amerikaanse Droom afgedaan heeft, maar net als Russell en Corinne zullen de Amerikanen hun verwachtingen moeten bijstellen. Amerika is altijd een zondagskind geweest in de grote wereld: jong, sterk, inspirerend en van zichzelf overtuigd. Die kinderlijkheid is sinds de Tweede Wereldoorlog langzaam teloor gegaan, omdat Amerika in zoveel opzichten gefaald heeft. Nu zitten we met een vastgelopen economie en een enorme staatsschuld; we zullen ons in het buitenland wat bescheidener moeten opstellen. Naïveteit en triomfantelijkheid gaan op den duur vervelen, en Amerika had een flinke dosis van alletwee.”

Heeft de literatuur toekomst in het Amerika van MTV en Nintendo?

“De roman is nog steeds een vitale kunstvorm; hij is niet uitgeroeid door televisie of film, zoals de helderzienden hebben voorspeld. Maar als literatuur belangrijk wil blijven dan zal ze een brug moeten slaan tussen populaire cultuur en cultuur met een grote C. De popcultuur is de invloedrijkste kracht in de hedendaagse wereld. Film en rock 'n' roll zijn Amerika's belangrijkste cultuurprodukt, en het zou dom zijn om in boeken net te doen alsof dat niet het geval is. Daarom vind je in mijn werk niet alleen verwijzingen naar de literaire traditie, maar ook naar rocksongs, graffiti en andere tekenen des tijds. Ik probeer de dialoog open te houden tussen Shakespeare en Prince.”

Kan een roman dan nog wel tijdloos zijn?

“Sinds wanneer is grote literatuur tijdloos? Goede schrijvers hebben altijd de wereld om zich heen in hun boeken verwerkt. De personages van Fitzgerald dansen de charleston, en zijn verhalen en hoofdstukken hebben de titels van liedjes waar wij al lang niet meer naar luisteren. Maar het feit dat niemand de charleston nog danst, maakt Fitzgeralds werk toch niet minder? Hetzelfde geldt voor Joyce, misschien wel de invloedrijkste schrijver van deze eeuw: zijn Ulysses staat vol met advertentieslogans, songteksten en straatnamen, maar dat maakt Dublin op Bloomsday juist zo boeiend. Of neem Dickens - een van de redenen dat we hem lezen is om een idee te krijgen hoe het was om in zijn tijd te leven, hoe Londen er uitzag en hoe de straten roken. Het is belangrijk om dat soort dingen voor het nageslacht te bewaren. Een goede schrijver registreert de vluchtige details van het dagelijkse leven. Wie moet het anders doen?”