Maar ja

Onder een beslagen novemberhemel lag aan de Hollandse Kade een witte hermelijn te slapen. Hoewel? De hond was er al langs en ikzelf stond er bijna bovenop.

Zacht als een vers gevallen vlokje sneeuw. En smetteloos. Alleen een zwarte flos aan de weggestoken staart. En een fijne, taupekleurige verkleuring aan de snuit, uitlopend in kringen om de gesloten oogjes.

Op de borst, verborgen tussen de voorpootjes, staken een paar stukjes vlees naar buiten. Een bijtwond leek het wel. Geen bloed. Dus eerst had zij zich schoongelikt, daarna pas opgerold, haar laatste slaap.

Ik stopte haar weg in een holle boom, maakte mijn beoogde wandeling, zag de vlucht van een blauwe kiekendief (mannetje) en pikte haar op de terugweg weer op. Liet haar thuis aan Iris zien ("zonde hè?') en legde haar in het vriesvak. Een paar uur later: nog steeds alsof ze sliep.

Hierover vertelde ik aan tafel zo levendig, dat Daan het verhaal ogenblikkelijk overnam. “Ze probeerde zelfs nog weg te komen”, zei hij. “Ze maakte nog lawaai. Ze krabde me. Maar ja. Dood. Dus in de diepvries”.

Straks gaat ze in een doos, naar het postkantoor, naar een kennis in Uden. Zij had alles, zei ze, maar een witte hermelijn had ze niet. En toen gebeurde er iets vreemds. Ik merkte dat ik trots was op het dier.