Ik wil ook wel eens somber over de dood kunnen praten; Portret van dichteres Carla Bogaards

Carla Bogaards is "performing poet': ze declameert toegankelijke gedichten, omlijst met veel grappen, en maakt daarmee naam op "dichterskermissen' in de provincie. Onlangs verscheen haar eerste roman, Meisjesgenade, over de incestueuze liefde van een meisje voor haar grote broer. “Mijn jeugd was doordrenkt van zonde”, zegt de schrijfster, die ooit hoopt een boek te schrijven dat zo mooi is als de Bijbel.

Carla Bogaards: Meisjesgenade. Uitg. Meulenhof, 101 blz. Prijs ƒ 24,90.

Na tien minuten serieuze poëzie is het tijd voor haar ordinaire, Haagse act. “Wat hebbie aan verkering?” In de pauze die daarna valt, kijkt Carla Bogaards gejaagd in de schijnwerpers, trekt ze aan haar rok, frummelt ze aan de microfoon, slaat ze bladzijden om op zoek naar aangestreepte passages. Haar begeleider op viool, Sander Hoving, wacht geduldig tot ze heeft besloten wat ze nu wil gaan doen.

Dan is het plotseling weer tijd voor ernst en vaart Bogaards uit tegen het keuvelende publiek achter in de hal: “Wel kinderachtig hoor, dat jullie achterin staan te kleppen. Jullie moeten absoluut weggaan.” Dat helpt, al wordt er in de zaal wel wat gegiecheld wanneer ze zinsnedes voordraagt als “Koning Winter wilde ook wel eens gepijpt worden”. Want dat is vreemde beeldspraak in een gedicht dat over de winter en de liefde gaat.

Het is zaterdagavond, op de Taaltheaternacht in Emmen. Kaarsjes op de tafels, Belgisch bier en plaatselijke uitgevers in de hal. Het publiek heeft de keus tussen regionaal talent en nationale dichters als Jules Deelder, Jana Beranová en Simon Vinkenoog, die tegelijkertijd optreden in de verschillende zalen van het multifunctionele theatercomplex. “Die Bogaards moet je zien, dat mens in hartstikke geschift,” glundert een meisje bij de bierpomp na haar eerste optreden. Later op de avond, op de terugreis naar Amsterdam, zegt Carla Bogaards niet echt van "zo'n dichterskermis' te houden. Maar ja, het geld is nooit weg. “Je moet als schrijver toch rondkomen.”

Sinds ze in 1985 het Friese Makkinga voor Amsterdam verruilde, heeft Bogaards (44 jaar, drie kinderen) in een snel tempo naam gemaakt. Vooral als "performing poet' die zeer toegankelijke gedichten voordroeg, omlijst met veel grappen en gimmicks. Ze schreef een bundel korte verhalen (Lena en de Mannen), drie dichtbundels (De reigers van Amsterdam, De Bruinvisvrouw, Lillian Sugar Baby) en artikelen voor bladen die variëren van Taptoe tot NRC Handelsblad en van het Agrarisch Dagblad tot Panorama. Onlangs kwam haar eerste roman uit: Meisjesgenade.

Meisjesgenade gaat over de liefde van een klein zusje voor haar grote broer. Het verhaal is opgeschreven als een conversatie in bed tussen de hoofdpersoon en haar nieuwe vriend, die haar herinnert aan haar overleden broer, Jonathan David. Ze koesterde voor hem een incestueuze liefde, die hij bewust of onbewust aanwakkerde. Wanneer Jonathan David trouwt met een meisje dat hij zwanger heeft gemaakt, neemt zij ook een man van wie ze niet houdt. Ze wil daarmee het noodlot tarten, dat haar voor haar broer heeft voorbestemd.

In de loop van het verhaal wordt duidelijk dat Jonathan David eraan gewend is het voorwerp te zijn van jaloerse vrouwenliefde en heeft geleerd daarvan afstand te nemen. Hij is in de oorlogsjaren naar een Fries pleeggezin gestuurd, waarna er tussen de echte moeder en de pleegmoeder een strijd losbarstte om zijn affectie. In de roman spelen ook de ouders van de hoofdpersoon een belangrijke rol: de ietwat stijve moeder die zich in gelijke mate ergert en aangetrokken voelt door de wereldse charme van haar man. En de in neger-jargon pratende zwarte jazz-pianist Bo, die de zondige wereld vertegenwoordigt waardoor de hoofdpersoon - die alles wat ze ziet in verband brengt met de bijbel - wordt gefascineerd.

Nakomertje

Meisjesgenade wordt ingeleid met Genesis 20:1-18, over Abraham, wiens vrouw Sara hem door koning Abimelech wordt afgenomen omdat ze zijn zuster is. God beveelt Abimelech in een droom Sara aan Abraham terug te geven, het is tenslotte Zijn profeet en God heeft het huwelijk gewild. Het is een van de Bijbelpassages die de hoofdpersoon van Meisjesgenade in verwarring brengen. Bogaards: “Als het over incest gaat, laat de Bijbel je in de steek. Soms mag het niet, op een andere plaats gaan de dochters van Lot weer naakt bij hun vader onder de dekens liggen en baren ze zijn kinderen.”

Meisjesgenade is volgens Bogaards niet bedoeld als een biecht, maar bevat wel autobiografische elementen. Carla Bogaards stamt uit een familie van Haagse ambtenaren, christelijk-gereformeerd, maar met excentrieke kantjes. Ze was een nakomertje met veel oudere broers en zussen, dat naar eigen zeggen opgroeide als de Marokkaanse meisjes van nu: “Op zondag mocht ik niets kopen, dus kocht ik toch een ijsje en wachtte dan tot God me zou straffen. Mijn leven was doordrenkt van zonde.”

Haar ouders combineerden het christendom met een hang naar kunst, stijl en dramatiek. “Mijn vader had een been verloren bij een motorongeluk. Als er op zondag in de kerk iets werd gezegd dat hem niet beviel, dan stampte hij onder de preek naar buiten. Met dat houten been. Bonk, bonk, bonk.” Er werd geboetseerd, geschreven en getekend, men las elkaar gedichten voor in het Engels, Frans en Duits. “Vaak kwamen mijn ouders met rare opdrachten als: schrijf een verhaal bij deze muziek.”

Als kind wilde ze naar de toneelschool of de dansacademie. “Daar zagen mijn ouders weinig in, al die lichtzinnigheid en homoseksualiteit. Ik schreef veel, dus moest ik maar Nederlands gaan studeren en schrijfster worden. Als ik dat gedaan had, had ik nu misschien heel saaie literatuur geschreven.” Uit bokkigheid besloot Boogaards te gaan werken. Ze trouwde jong, met een ingenieur, en verbrandde met haar moeder haar dagboeken en liefdesbrieven in de tuin “want nu werd ik ook moeder en kreeg ik kinderen en een groot huis.”

Het werd een huis in Emmeloord, in een half-afgebouwde straat midden in de polder, bewoond door ingenieurs en architecten. “Met blokverwarming, die om elf uur 's avonds uitging. Dan moesten we gaan slapen.” In Emmeloord werd Bogaards voor de PvdA het jongste raadslid van Nederland. Later, in Friesland, ging ze door in de politiek “met bloedige ernst, het moest eindigen in de Tweede Kamer.” Onenigheid over haar plaats op de kandidatenlijst maakte een eind aan de politieke loopbaan “op een moment dat ik toch al genoeg kreeg van dat eindeloze vergaderen met jenever.” Ze begon weer te schrijven, voor de "Lyrische Courant', een bijlage van de Leeuwarder Courant. Na haar derde kind en haar tweede scheiding verhuisde ze van Makkinga naar Amsterdam. “In Makkinga kan je nog zo mooi schrijven, je kan even goed op de Noordpool wonen. Ik was nog nooit alleen geweest, hoefde nooit voor mezelf te zorgen. Maar ik was erg optimistisch, ik zou het wel redden.”

Wonen in de hoofdstad vindt ze noodzakelijk "voor de contacten'. Haar treurigste gedichten zijn op de bevroren velden van Friesland gesitueerd. Bogaards: “De seizoenen komen daar echt op je af, daar merk je in de stad niet zoveel van. Je bent in een dorp eerder droevig over leven en dood.”

Bogaards' optredens zijn de laatste jaren minder komisch geworden. Ze zal niet meer zo snel met opgeplakt borsthaar optreden in vrouwencafés om te tonen dat ze uit het juiste feministische hout gesneden is. Het kunstbeen van haar vader zal ze nu thuis laten als ze optreedt. En ook het koffertje met artikelen uit de fopwinkel en het Playboy-bunny pakje worden niet meer gesignaleerd. “Op een gegeven moment word je in een la gedouwd, die Bogaards met haar gekke act. Dan sta je elke nacht om half twee voor een zaal dronken studenten. Ik wil ook wel eens heel somber over de dood kunnen praten.”

Haar huidige ambitie is weergegeven op een recente tekening van Peter van Straaten, waarop ze met een andere schrijfster staat te mopperen "dat het hoog tijd wordt dat de uitgevers ons serieus nemen'. De critici weten niet altijd raad met haar werk en met de merkwaardige drieëenheid liefde, seks en christendom die haar gedichten en proza domineert.

Liefde is voor Bogaards een "allesdoordringende kracht', of het nu op een "lover', een vriendin, een kind of een huisdier is gericht. Hartverscheurende en noodlottige liefdes hebben haar voorkeur. “Het is moeilijk schrijven over een rimpelloze relatie van 35 jaar. Behalve als er onder de oppervlakte iets verschrikkelijks broeit.” Ze zou niet over iets anders kunnen schrijven, “mijn leven is ervan doordrenkt.”

Haar gedichten zijn verhalend, voorzien van een veelal aan het dierenrijk ontleende beeldspraak, die soms ontroert en soms vooral bizar is. Zo lijkt haar alter ego in de dichtbundel Lillian Sugar Baby op een "gek geworden operazangeres' die haar mond zover openspert bij het zingen "dat ze op een stervende tonijn lijkt'. Of is ze "een kleine walvis' die misschien had moeten rijpen tot "een grote walvis, of tot een gebergte'. Of springt onvervulde liefde uit haar keel "als een kangoeroe met een jong in haar buidel'.

Bogaards zegt vooral te letten op de schoonheid van de taal en van de beelden. “Wanneer ik ga wandelen en ik zie een bepaalde lichtinval door een boom, wil ik dat gebruiken. Ik probeer te schilderen met woorden. Ik hoorde Bert Schierbeek een tijd geleden een gedicht voordragen. Waar het over ging, ben ik vergeten, behalve een beeld, in dit geval een vijgeboom”, zegt ze.

Momenteel werkt Bogaards aan een boek over haar familie en aan nieuwe gedichten. Bogaards: “Later wil ik een oude, wijze vrouw worden, zoals Marguerite Duras, met van die grote, gouden ringen om alle vingers. En ik zou graag een boek willen schrijven dat zo mooi is als de Bijbel.”