Identiteitsbewijs

Over identiteitskaarten is de laatste tijd het nodige te doen geweest. Een nieuw paspoort, een Europees reisdocument, een nationale identiteitskaart, een gemeentelijk identiteitsbewijs - er is een hele stoelendans van pasfotopaperassen ontstaan. Met een identiteitsbewijs hoor je er kennelijk bij. Dat lijkt voor de houders van zo'n bewijs evenzeer op te gaan als voor de verleners daarvan.

Een interessante vraag is waar je met een identiteitsbewijs nu eigenlijk bij hoort. Hoor je met bij voorbeeld een identiteitskaart waarop de burgemeester van Apeldoorn een stempel heeft gezet bij Apeldoorn en wellicht ook bij deelgemeenten als Wenum of Wiesel? Of valt er met die kaart meer uit te richten?

Twee uitspraken van het EG-Hof laten zien dat die laatste vraag wel eens bevestigend beantwoord zou moeten worden. De eerste beslissing betrof een Griek die in 1973 naar Duitsland was gekomen om er onderwijs te volgen. Meneer Giagounidis was toen het land binnengekomen op vertoon van een geldig Grieks paspoort. Na zijn studie had de Griek als leraar aan een Duitse school werk gevonden. In 1984 verzocht hij de lokale autoriteiten van het dorpje waar hij "bij hoorde' om een verblijfsvergunning. Maar die werd hem geweigerd: zijn paspoort was op dat moment verlopen. Hij beschikte op dat moment wèl over een Griekse identiteitskaart, maar volgens de Griekse voorschriften was de geldigheid van de kaart strikt beperkt tot Grieks grondgebied. De kaart verleende de houder bij voorbeeld ook niet het recht Griekenland te verlaten. Deze beperkingen waren evenwel niet zichtbaar op de kaart aangebracht.

Intussen was Giagounidis - als gevolg van de toetreding door Griekenland tot de Europese Gemeenschap - méér dan een vreemdeling met een verlopen paspoort. Hij was daardoor ook een onderdaan uit een andere lidstaat, die gebruik had gemaakt van het vrije verkeer van werknemers. En voor die categorie personen geldt een bijzonder rechtsregime. Tot dat rechtsregime behoort een richtlijn uit 1968 die de lidstaten verplicht aan migrerende werknemers verblijfsrecht toe te kennen wanneer deze het document overleggen op vertoon waarvan zij het land zijn binnengekomen; en dat was het destijds geldige paspoort geweest.

De Duitse rechter legde daarop aan het EG-Hof de vraag voor of deze regel ook gold voor het geval dat de betrokken werknemer op het moment van de aanvraag van een verblijfsvergunning niet méér kan tonen dan een nationale identificatiekaart waarvan de territoriale werking beperkt is. Daarop antwoordde het EG-Hof onder meer dat het er niet toe deed of de betrokken kaart de houder nu wel of niet het recht verleende zijn eigen lidstaat te verlaten en ook niet of eventuele beperkingen zichtbaar op zo'n kaart zijn aangebracht. Om in een andere lidstaat voor een verblijfsrecht in aanmerking te komen, behoefde Giagounidis als migrerend werknemer alleen maar zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. En dat kan ook met een nationale identiteitskaart, waarvan de geldigheid - al dan niet zichtbaar - is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de kaart heeft afgegeven.

Gevolg van deze uitspraak is onder meer dat het recht op verblijf niet mag worden geweigerd aan onderdanen uit een andere lidstaat die slechts in het bezit zijn van een nationale identiteitskaart, ongeacht de beperkte werking daarvan in het land van afgifte.

De tweede uitspraak van het EG-Hof betrof de Nederlandse vreemdelingenwetgeving. Die maakt het mogelijk bij de grensovergangen aan binnenkomende vreemdelingen vragen te stellen over, onder meer, het doel en de duur van de reis alsook over de financiële middelen die daarvoor ter beschikking zijn. Deze vragen kunnen onder alle omstandigheden gesteld worden, ook aan EG-onderdanen. Die laatste mogelijkheid ging de Europese Commissie evenwel te ver. En daarin kreeg zij het EG-Hof aan haar zijde. Het Hof besliste vorig jaar dat, uitzonderingsgevallen als openbare veiligheid en dergelijke buiten beschouwing gelaten, het voor de toegang van EG-onderdanen tot het grondgebied van een andere lidstaat voldoende is wanneer een geldig paspoort òf een geldige identiteitskaart wordt getoond.

Voegt men deze beide uitspraken van het EG-Hof samen, dan is de stap zo gezet naar de conclusie dat men, althans binnen de EG, ook zonder paspoort vrijelijk kan reizen, als men maar een identiteitskaart bezit, ongeacht de territoriale werking daarvan.

Terug naar Apeldoorn. In Nederland boemelt het treintje van een algemene identificatieplicht zo langzamerhand naar zijn eindbestemming. Die plicht zal ook minderjarigen raken. Tegelijkertijd wordt vanuit de Tweede Kamer grote aandrang uitgeoefend op de staatssecretaris van binnenlandse zaken om af te zien van een eigen nationale reisdocument/identificatiekaart en in plaats daarvan aan te sluiten bij een op komst zijnde gemeentelijke identiteitskaart. Als het zover zou komen, is de kaart uit Apeldoorn - bij de huidige stand van het EG-recht - meteen een aardige opstap naar een Europees burgerschap (zonder kiesrecht). En de minderjarige, die aanvankelijk met zo'n kaart alleen het Sportfondsenbad in Wenum of Wiesel kon betreden, kan daarmee ongehinderd door de hele Europese Gemeenschap reizen. Geen wonder dat de staatssecretaris aarzelingen heeft!