Het verhulde realisme van Herman Goddijn; Badend in onaarts licht

Herman Gordijn heeft altijd benadrukt dat zijn onderwerpen aanleidingen zijn om te kunnen schilderen. Op tien nieuwe schilderijen is te zien wat hij daarmee bedoelt; wat treft is niet zozeer de afbeelding van een eenzame hardloper, een vrouw van lichte zeden of drie meisjes die zich van een dijk laten glijden, maar de onaardse, melancholieke stemming van deze doeken.

De tentoonstelling van Herman Gordijn bij Collection d' Art, Keizergracht 516, Amsterdam, waar behalve de nieuwe schilderen ook litho's zijn geëxposeerd, duurt tot 3 januari. Hierna wordt een selectie uit zijn gehele oeuvre gepresenteerd op een overzichtstentoonstelling. Deze zal achtereenvolgens in het Cultureel Centrum in Hasselt (vanaf 15 januari 1993 tot 7 maart) en in de Markiezenhof in Maastricht (vanaf 20 maart tot 9 mei) worden getoond.

De tien nieuwe schilderijen die Herman Gordijn bij de Amsterdamse galerie Collection d'Art exposeert, zijn de oogst van twee jaar onafgebroken schilderen. In het licht van Gordijns onverhulde realisme, is dit nieuwe werk een complete verrassing. Zijn oeuvre werd tot dusverre voor een belangrijk deel gemarkeerd door groteske en bizarre scheppingen als "Bordeelraam', "Hoer met cyclamen', de urinoirscène "Aan de Amstel' waarin een sardonische potloodventer op hoge hakschoentjes figureert, de vrouw met de autopet in "Mona met step' of de naakte, hoogzwangere vrouw die een sigaar rookt.

In Gordijns recente werk is het "handschrift', zoals hij het zelf omschrijft, zijn belangrijkste uitdrukkingsmiddel geworden. De schilder is zijn uitgangspunt in zoverre trouw gebleven dat hij bij zijn voorstellingen nog altijd uitgaat van de werkelijkheid. Maar zijn vroegere voorkeur voor excentrieke modellen als Lida Polak en de voornoemde Mona of voor een toevallig passerende totebel, geldt nu anonieme figuren.

Zo zag Gordijn tijdens een autorit vanuit zijn ooghoek langs de kant van de weg een jongen in zwembroek door de bosjes kruipen. Ontroerd door de kleur van de naakte huid in het omringende gebladerte en de houding van de wegkruipende figuur maakte hij bij thuiskomst een schets van het bermvoorval. Tijdens een wandeling over het landgoed van Het Loo werd hij wonderlijk genoeg door de aanblik van een onaanzienlijk houten bruggetje dat de verbinding vormt tussen steile, aarden wallen waaruit dunne stammen oprijzen, opnieuw aan de door de bosjes kruipende figuur herinnerd. Het schilderij "Blylandt Rust', uit 1990, genoemd naar de locatie op het landgoed waar Gordijn de kruipende figuur opnieuw voor zijn geestesoog zag verschijnen, vindt zijn oorsprong in het genoemde bermincident. Daaraan herinnert de ineengedoken, naakte figuur op de brug die wegvlucht in het landschap. De voorstelling heeft een tijdloos karakter. Als op een Japanse prent is het beeldvlak van het schilderij benadrukt als een plat vlak. De vormen zijn teruggebracht tot hun essentie. De aarden wallen en de verticalen van kale stammen zijn scherp omlijnd. De brug op de voorgrond boort zich als een diagonaal door het beeld. De dunne verflaag die hier en daar voorzichtig is weggeschuurd, is opgebouwd uit talrijke minutieuze verftoetsen in verschillende tinten. Het effect is een kleurschakering die uit de voorstelling optrekt als nevel.

De zeggingskracht van Gordijns nieuwe schilderijen wordt goeddeels met abstracte middelen opgeroepen. Toch brengt de aan een banaal voorval ontleende, sobere voorstelling van "Blylandt Rust' een drama in kaart dat herinneringen oproept aan de verdrijving uit het paradijs, zoals weergegeven op een van de fresco's van Masaccio in de Florentijnse Brancacci-kapel.

Aan het enorme doek "Vichy' ligt Gordijns observatie van een kuuroord ten grondslag, waar de schilder een kamer met een aantal op een bank gezeten vrouwen aantrof. De vrolijk kringelende motieven van een geel vloerkleed en de op de bank gedrapeerde vrouwen, vormen een vreemd contrast. De wezenloze vrouwen in hun jurken, die soms nog trekjes van Gordijns exuberante modellen van weleer vertonen, hebben de kleur van een verbleekte foto in sepia. Ze lijken langzaam op te lossen in het licht dat door een hoog raam binnenvalt.

Roze vlek

Het doek "Heusden' suggereert eveneens dat de eigenlijke inhoud van de voorstelling het sterven is. Voor dit schilderij was de aanleiding een door Gordijn gesignaleerd tafereel van drie meisjes die zich bij Heusden van een dijk lieten af glijden. De meisjes zijn bijna schetsmatig geschilderd en ze baden in een nog onaardser licht dan de oude vrouwen in Vichy. Boven de diagonaal afgesneden dijk is het linnen niet meer beschilderd op een vage roze vlek na, die een schim van een molen verbeeldt.

In het zeer fraai geschilderde werk "Utrecht' wordt de melancholieke stemming opgeroepen door de adembenemende schoonheid van een park met een zonovergoten vijver waar een eenzame hardloper zijn vergeefse kringetjes loopt. Het portret van de jongen met de vis in zijn hand die met een verdroomde blik langs je heen kijkt, is veeleer een archetype dan een bestaand personage. Dit schilderij roept associaties op met de neo-klassicistische figuren die Picasso in de jaren dertig schilderde. Het is niet alleen zijn duidelijke geïnspireerdheid door schilderkunstige thema's uit het verleden, die je het gevoel geven dat de inhoud van Gordijns nieuwe schilderijen gevoed worden door heimwee naar wat verloren is gegaan en deernis voor hetgeen teloor zal gaan.

Zelf heeft Herman Gordijn zijn onderwerpen overigens altijd benadrukt als aanleidingen om te kunnen schilderen. Voor de beschouwer van bijvoorbeeld een vroeg schilderij als "Hoer met cyclaam', uit l959, waarvan hij een tweede monumentale versie maakte in l985-'88, is deze opvatting niet eenvoudig te begrijpen. Het vleesgeworden fantoom met de bloem, die Pyke Koch's "Bertha van Antwerpen' tot een hoogstens ietwat wufte domineesvrouw reduceert, is zo verpletterend aanwezig dat je de geheimen van de compositie voor lief neemt.

Omgetoverd

In dit opzicht fungeren de nieuwe schilderijen als een soort eye-opener voor zijn gehele oeuvre. In de tweede versie van het genoemde schilderij van de vrouw van lichte zeden is het perspectief bijvoorbeeld verdwenen. Een bakstenen muur is het gepantserde scherm dat de achtergrond afsluit en waartegen de onherroepelijk tot pad omgetoverde vrouw zich aftekent. En wie erin slaagt om de eerder genoemde urinoirbezoeker, wiens huidskleur overeenstemt met die van de olifant, te negeren, valt op hoe zeer schaduwen, structuren en vrijwel monochrome vlakken ook toen al de voorkeur van de schilder hadden. Ook de motieven op de jurken van zijn vroegere modellen trekken de aandacht. Deze werden ook toen al met de losse hand geschilderd.

Zo'n tien jaar geleden verwoordde Herman Gordijn in verband met het werk van de magische realist Dick Ket haarscherp het bezwaar dat ook tegen een deel van zijn eigen oeuvre ingebracht kan worden: “Toch hou ik meer van Cézanne dan van Dick Ket. Bij Dick Ket moet ik altijd nog door het plaatje heen kijken om te zien waar het om gaat. En dat is hoe het geschilderd is.” Gordijn pleegt zelf tijdens het schilderen de voorstelling à la Baselitz op zijn kop te zetten om het doek zuiver op zijn technische kwaliteiten te kunnen beoordelen. Voorts bestudeert hij de voorstellingen door middel van zowel een verrekijker als een spiegel. In schoolschriften, die inmiddels een aardige stapel vormen, noteert hij welke schilderkunstige ingrepen hij op een bepaald schilderij heeft toegepast. Zo maakte Herman Gordijn, langzamerhand uitgegroeid tot de belangrijkste portrettist van Nederland, zoals zijn schilderijen van onder andere koningin Beatrix en burgemeester Samkalden uitwijzen, een bijna dichterlijke notitie over het in 1970 gemaakte portret van de schrijfster Mary Dorna: "Ogen: bruine oker en oker. Haar: omber en rode oker, glacis omber, glacis rode oker, steeds met tempera ingetekend.'