Gedwongen tot de vrijheid; Gerrit Rietveld na De Stijl

“Ik ben jarenlang een soort piraat in het bouwvak”, zei Gerrit Rietveld in 1964. Zijn collega's beschouwden hem niet als een vernieuwer, maar de architect-meubelmaker hield van experimenteren: hij kon zich mateloos ergeren aan zoiets rommeligs als gordijnen en ontwierp volkswoningen met gezamenlijke wasruimten en een centraal antenne-systeem dat "poliepvorming op de daken' voorkwam. Op een overzichtstentoonstelling in Utrecht wordt aandacht besteed aan de thema's die Rietvelds werk beheersen: soberheid en standaardisatie.

Gerrit Rietveld, 1888-1964, 28 nov. t/m 21 febr. in het Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. Inl. 030-362362. Ned. catalogus ƒ 69,50 (paperback, in het museum), ƒ 99,50 (in de boekhandel, gebonden). Excursies via het museum of het Kunsthistorisch Centrum in Amsterdam, inl. 020-6265490.

Het schemert in Hoograven. Tussen de struiken in het plantsoen trekken de herfstnevels op en in de huizen gaan de lichten aan. In de voortuintjes staan piekerige staketsels die vast ooit weer zullen bloeien. Op het eerste gezicht is dit een naoorlogse uitbreidingswijk zoals er zovele in Nederland zijn, een wijk met de ondertoon van een dorp, van een benauwende vredigheid. Is dit werkelijk bedacht door Rietveld, de man van de Stoel en het Huis, van De Stijl en het Nieuwe Bouwen, de tegenpool van deze buitenwijkse burgerlijkheid?

Ja, deze Utrechtse wijk uit 1954 is net zo zeer Rietveld als de Rood-Blauwe stoel, het Schröder-huis, de villa's met rieten kap, de Jaarbeurshal, de aluminium leunstoel, het Sonsbeek-paviljoen of het demontabele houten vakantiehuisje. Het oeuvre van architect / meubelmaker Gerrit Thomas Rietveld (1888-1964) wordt in heel zijn diversiteit getoond op de grote overzichtstentoonstelling die vanavond in aanwezigheid van de koningin wordt geopend in het Centraal Museum in Utrecht. Hierna reist de expositie, de eerste brede retrospectief sinds 1958, naar Parijs en New York. In 1995 opent het Utrechtse museum een aparte aan Rietveld en zijn werk gewijde afdeling.

Aanleiding tot de tentoonstelling is het gereedkomen van de eerste volledige inventarisatie van Rietvelds werk, die nu in drie talen verschijnt en als catalogus dient. Het is een lijst geworden van in totaal 681 ontwerpen, niet alleen meubels en architectuur maar ook typografie, kleur- en materiaaltoepassingen en stedebouwkundige plannen. Samenstellers Ida van Zijl en Marijke Küper van het Centraal Museum waren zelf verbaasd over de omvang van zijn oeuvre.

“Het plan is in 1987 ontstaan, toen het museum het Rietveld Schröder-huis en het archief van mevrouw Schröder in beheer kreeg”, zegt Van Zijl. “Zij bewaarde alles, van de echte ontwerpen tot en met de rekeningen, de recensies en de krabbels achterop enveloppen.” In 1988 maakten zij een tentoonstelling als portret van dat archief; vervolgens gingen ze verder met de inventarisatie en de huidige tentoonstelling. Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), dat ook een belangrijk Rietveld-archief bezit, wilde in eerste instantie alleen meewerken als de tentoonstelling in het NAi-gebouw in Rotterdam zou komen; bij wijze van compromis is de tentoonstelling door beide instellingen samengesteld, met medewerking van NAi-kunsthistoricus Hans Ibelings.

“We zijn uitgegaan van de samenhang tussen Rietvelds meubels en zijn architectuur,” zegt Ida van Zijl. “Beide worden beheerst door dezelfde thema's, zoals soberheid, standaardisatie, de beleving van ruimte. Al voor de oorlog hield hij zich bezig met volkswoningbouw, gestandaardiseerde produktiemethoden, prefab-materialen en stedebouw. Het idee van de "kernwoning' heeft hem ruim dertig jaar bezig gehouden. Er was echt nog leven na De Stijl en het Nieuwe Bouwen.”

Jan van Grunsven en Arno van der Mark hebben de tentoonstelling chronologisch ingericht met daarnaast thematische accenten. De kapel van het museum is ingericht als een meubelmakerskinderboerderij, met replica's in blank hout van een aantal stoelen en tafels waar iedereen op en aan mag zitten. Eindelijk kunnen we voelen wat er bedoeld wordt met het adagium: zitten is een werkwoord.

Pierebadje

Tegenwoordig is het plantsoen aan de Robijnhof in Hoograven geplaveid, met een basketbalveldje en een klimrek. Op foto's in het tijdschrift Goed Wonen (1957) is een ander tafereel te zien: vrolijk spartelen de kinderen in een pierebadje terwijl moeder vanaf het balkon toekijkt. Bij mooi weer kwam elke ochtend een meneer van gemeentewerken het badje, een ondiepe vijver eigenlijk, vullen en 's avonds weer legen. De schrijver van het artikel is vol lof voor deze "wooncultuur in een blije woonomgeving', dit "opgewekte beeld van een bevrijd leven'. Dat beeld komt niet meer terug, maar binnenkort is het mogelijk een idee te krijgen hoe de flats er toen uitzagen: een onlangs leeggekomen woning wordt door sponsors HBM en Intervam voor zo ver mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht en voor de duur van de tentoonstelling opengesteld voor excursies.

Hoograven, een complex van 388 woningen in drie verschillende types, was een van de plaatsen waar Rietveld na de oorlog zijn ideeën over de heilzame standaardisatie in de volkshuisvesting, de "demonumentalisering' zoals hij dat noemde, kon uitproberen. Wel heeft hij bewust de dreigende monotonie willen doorbreken door twee kleuren baksteen te gebruiken. Voor zichzelf noteerde hij - helaas is onbekend in welk jaar - zijn gedachten daarover. “Groote groeperingen massa's en ruimte in overeenkomst met de maatschappelijke structuur... plattegrond nog steeds een aftreksel van het oude heerenhuis - zooals ook de meeste burgers nog aftreksels zijn van de oude heeren uit die heerenhuizen”.

Bij het nieuwe wonen hoorden voorzieningen als gezamenlijke wasruimten, een centraal antenne-systeem ("voorkomt poliepvorming op de daken') en droogkamers naast het trappenhuis, die sommige hardleerse bewoners als berghok gebruikten. Zijn aandacht voor detail strekte zich uit tot de golvende cementen rand langs de bakstenen buitenmuren: het lijkt een ornament, maar in feite zijn die vooruitstekende golven bedoeld om het regenwater in regelmatige banen langs de muren te leiden.

Rietveld kon zich mateloos ergeren aan zoiets rommeligs als gordijnen. In zijn korte voorwoord in Goed Wonen verklaart hij dan ook onomwonden, dat de kleurige borstweringen in Hoograven dienen "om het toch nog slordige effect van de vele gordijnsoorten te temperen'. Bij het betrekken van hun nieuwe woning kregen huurders in Hoograven zelfs plattegronden waarop de architect alvast de beste opstelling van het meubilair had uitgetekend. Hoewel de bewoners met het oog op de gewenste "wooncultuur' zorgvuldig zijn geselecteerd, constateert Goed Wonen meesmuilend dat sommigen toch logge wandmeubels hebben meegenomen waar ze hier niet mee uit de voeten kunnen.

Zo bezien was de "wooncultuur' van Rietveld moralistische getinte dwingelandij, maar hij zag uniformiteit juist als een weg naar de vrijheid. Uit bovengenoemde losse aantekeningen: "Dan de inrichting - die nog steeds op het voorbeeld van het oude handwerk gemaakt wordt - nog geen echt industrieel produkt, dat al het praktische beknopt oplost om vrijheid te geven aan onze persoonlijkheid... machine spreekt het verlossende woord.'

Radiatoren

Toch had ook Rietveld een sterke hang naar bepaalde symbolen van huiselijkheid: zelfs in huizen waarin hij centrale verwarming plaatste, moesten er ook kachels staan. In een Rietveldpand uit 1930 aan de Erasmuslaan (vlakbij het Schröder-huis) dat het Utrechtse architectenbureau Bokelman en Croonen in 1989 betrok, stonden er wel drie verschillende soorten verwarming: experimentele radiatoren bovenaan de muren, maar ook kachels en een aantal radiatoren die de vorige bewoners noodgedwongen hadden toegevoegd. Dit is een van de tien vooroorlogse Rietveld-panden die met subsidie van rijk en gemeente ter gelegenheid van de tentoonstelling zijn of worden gerestaureerd; drie daarvan zijn als onderdeel van de excursies te bezichtigen.

Bokelman en Croonen hebben het gebouw zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht, tot en met de stalen ramen, de vloerbedekking van sisal en de sculpturale rode trapleuning. “Aan alles kan je zien hoezeer Rietveld van experimenteren hield,” vertelt Bokelman. “Het hele huis is gemaakt op een stramien van een meter. Geen enkele architect durfde stalen ramen te maken van een vierkante meter, hij wel. Het lukt ook alleen omdat het glas zelf de constructie stijfheid geeft. Als je het glas eruit zou halen zou het in elkaar zakken. Hij begint hier ook te oefenen met het concept van de kernwoning, waarin de natte cel, de keuken en het sanitair rondom de trap worden geconcentreerd.”

Bokelman ziet een essentieel verschil tussen dit blokje van vijf huizen en het Schröder-huis, dat van zes jaar eerder dateert. “Dat is meer een meubelontwerp waarin wordt gewoond. Dit is architectuur.”

Van een oud-medewerker van Rietveld kreeg Bokelman een aantal foto's van de bouw die bij het opruimen van het archief in de prullenbak waren beland. Daarop is goed te zien dat het hele blok opgebouwd is rond een skelet van staal; de enige dragende muren zijn die tussen de woningen. Dat skelet werd naderhand opgevuld met metselwerk dat daarna werd gestuct om op beton te lijken. Rietveld heeft maar één betonnen gebouw gemaakt, een chauffeurswoning in Utrecht die bijna meteen begon te lekken. Die staat nog overeind, maar daar is ook alles mee gezegd: er zit een breed dak op tegen het inregenen, de erker gaat schuil achter klimop, de hoge roestige deuren zijn met graffiti beklad.

Bokelman en Croonen hebben onlangs nog een ander pand in het blok gekocht. Het wordt nu gerestaureerd om - net als in de jaren dertig - als meubelshowroom te worden ingericht. “Het verhaal gaat,” zegt Bokelman, “dat mevrouw Schröder dit stuk grond aan de Erasmuslaan kocht om het uitzicht vanuit haar eigen huis veilig te stellen - toen liep er nog geen snelweg vlak langs - en om Rietveld een opdracht voor woningbouw te kunnen verstrekken. De aannemer was bang dat er geen kopers zouden zijn, 14.000 gulden was toen veel geld, en wilde ze alleen bouwen als mevrouw Schröder zelf één van de huizen kocht.”

Het huis op nummer 9 richtten zij en Rietveld in als een modelwoning, met meubels die hij in serieproduktie wilde laten maken. “Het was geschilderd in pastelkleuren die je niet met Rietveld associeert, okergeel en lichtgroen, en in tegenstelling tot het Schröder-huis hingen er schilderijen aan de wand en stonden er kastjes tegen de muur. Het was natuurlijk een modelwoning, maar ik geloof niet dat je die inrichting als een knieval voor potentiële kopers moet zien. Rietveld was altijd aan het experimenteren met iets nieuws, nieuwe kleuren, nieuwe technieken.”

Kunststof

Rietveld geldt nu als een van de grootste vernieuwers van deze eeuw. Die status is echter relatief nieuw. Hoewel hij zijn leven lang geobsedeerd is geweest door standaardisatie en massaproduktie, zijn maar weinig van zijn ontwerpen door de industrie opgepakt. Van aard was hij dan ook meer ontwerper dan verkoper. Misschien deden zijn ideeën over een bevrijdende soberheid en uniformiteit, bijvoorbeeld voor badkamers die uit één stuk kunststof konden worden gegoten, armoeiig aan in de naoorlogse jaren van groeiende welvaart. Ook zijn experimenten in de volkswoningbouw, zoals Hoograven, bleven beperkt: van de twintig ontwerpen zijn er zes uitgevoerd. Na de oorlog, zeker vanaf midden jaren vijftig, had hij veel werk, maar wel "unica' zoals de Julianahal van de Jaarbeurs in Utrecht, Weverij de Ploeg in Bergeijk, het Nederlandse paviljoen voor de Biënnale in Venetië en het Van Gogh Museum, waarvan hij de oplevering niet meer heeft meegemakt.

Lang niet al zijn vakgenoten erkenden hem als grote vernieuwer. In zijn biografie van Rietveld (1982) oppert Frits Bless als verklaring, dat zijn collega's hem niet als volwaardige architect beschouwden, maar als een ontwerper, een met ruimtelijk inzicht gezegende knutselaar, die technisch en constructief onvoldoende was onderlegd, een spontaan genie wiens werk gemakkelijk als "vondsten' kon worden afgedaan.

Smalend schreef architect Arthur Staal in 1934: "Alle Nieuwe-Bouwers weten dat de naam Rietveld niet in de eerste plaats verwant is aan Het Onverwoestbare Bouwen, dikwijls ook niet aan Bruikbaar Bouwen'. In een nummer van het tijdschrift Forum in 1958, dat ter gelegenheid van Rietvelds zeventigste verjaardag aan hem werd gewijd, schreef J.J.P. Oud - die notabene een paar jaar eerder de opdracht voor Hoograven zelf aan Rietveld had doorgegeven - dat zijn bouwen "op den duur picturaal (voortkomend uit de schilderkunst!) bleef beïnvloed'. Alleen Aldo van Eyck legde in zijn bijdrage getuigenis af van zijn bewondering voor "de wijze waarop hij eigenhandig een nieuwe architectuurtaal in elkaar smeedde' en zette zich af tegen de manier waarop Rietveld door zijn vakgenoten onschadelijk was gemaakt door hem tot legende te verheffen. "Er moest iemand zijn om te doen waar zij zich aan onttrokken'.

Zelf stak Rietveld de draak met deze welwillende neerbuigendheid toen hij in 1964, het jaar van zijn dood, bij het aanvaarden van een eredoctoraat aan de TH Delft zei: “Ik ben jarenlang een soort piraat in het bouwvak”. Natuurlijk, hij had ook iets van de begaafde doe-het-zelver. Er zijn beroemde filmbeelden waar we hem een schets zien maken op een vel papier ter grootte van een ansichtkaart. Hij pakt de schaar, friemelt wat met die dikke timmermansvingers en zet even later een papieren stoeltje neer. Van formaat hoort het in een poppenhuis, maar van concept is het een volwassen industrieel produkt, een stoel-uit-één-stuk van fiber, of aluminium, alleen nu even van papier.

Uit de ontzagwekkende hoeveelheid aan ideeën, projecten en ontwerpen in tentoonstelling en oeuvre-overzicht rijst het beeld op van een man die vernieuwend en consequent tegelijk was, niet zo zeer dogmatisch - glas en beton waren voor hem niet beter of echter dan riet en hout - als wel principieel. Hij was niet op zoek naar nieuwe regels, maar naar nieuwe mogelijkheden. “Zou het niet nuttig zijn,” vroeg hij zich af in een lezing in 1958, “de chaotische produktie van quasi-nuttigheden terug te brengen tot een minimum? (-) Ik ben van mening dat in soberheid een weelde schuilt, die wij nog slecht kennen.”