Feestelijke adviezen aan een visser; Het taalbewustzijn van Atte Jongstra

Atte Jongstra: Cicerone. Verhalen. Uitg. Contact. 187 blz. Prijs ƒ 32,90.

Het merkwaardigste verhaal in de nieuwe bundel van Atte Jongstra is zonder twijfel het zesde. Het heet "Hengelen naar de kern' en heeft als ondertitel "Noten bij een boek dat ik ooit uitleende'. Het hele verhaal bestaat uit niets anders dan 85 annotaties bij The Complete Angler, een zeventiende-eeuws boek over de kunst van het vissen.

De annotaties hebben een opvallend divers karakter, nu eens zijn het simpele mededelingen, dan weer zijn het korte geschiedenissen, maar vaak is er ook helemaal geen touw aan vast te knopen. Zo meldt noot 13, nogal raadselachtig voor een zeventiende-eeuws boek: "Gedateerd 4 oktober 1926'.

Ik heb de achttien bladzijden die de noten in het boek in beslag nemen tot het einde toe uitgelezen. En het vreemde was dat ik er door geboeid werd. Waarom? Eerst was het, geloof ik, een kwestie van nieuwsgierigheid. Ik wilde weten om welk boek het ging. Dat werd zorgvuldig geheim gehouden. Wie was de auteur, wanneer werd het geschreven, en wat voor soort boek was het.

Na één of twee bladzijden kwam daar iets anders bij. Ik begon het absurde van de onderneming in te zien, de vreemde volgorde van de verschillende opmerkingen, het verschil in stijl, de soms volstrekt willekeurige overgangen van het ene onderwerp naar het andere, en vooral de onzichtbaarheid van de hoofdpersoon. Het project deed denken aan een film met ondertitels waarvan je het beeld niet te zien krijgt. Je krijgt waarschijnlijk wel een globale indruk van waar het verhaal over gaat, maar het zou kunnen dat je het allerbelangrijkste over het hoofd ziet.

Ten slotte begon ik genteresseerd te raken in de man die de annotaties gemaakt had. Ik zag hem zitten, lezend in het visboek, plukkend aan zijn baard, zijn pen en bloknoot binnen handbereik, bladerend in tientallen andere boeken over het onderwerp en hardop mopperend.

Achteraf is duidelijk waarom Atte Jongstra juist door het visboek dat hier geannoteerd is zo gefascineerd is geraakt. The Complete Angler moet indertijd een onderneming zijn geweest die nauw verwant is aan de ondernemingen die Jongstra en zijn personages zelf plegen op te zetten. Het boek is aanvankelijk geschreven als een praktisch boekje vol adviezen aan de visser, maar na enkele drukken is het uitgegroeid tot, zoals Jongstra schrijft, "een moeilijk controleerbare compilatie van eigen gedachten en andermans mooie verhalen'. Volgens een beschrijving in noot 27 gaat het in latere jaren om "een folio ter verstrooiing', vol vreemde uitweidingen en kernachtige spreuken die de visser gemakkelijk in de war kunnen brengen.

Het is precies dit genre dat Atte Jongstra in de verhalen in Cicerone heeft nagestreefd. Hij laat zijn personages graag poseren als "ouwehoeren'. Een van hen noemt zichzelf weliswaar heel fraai een eclecticus, maar Jongstra laat zien dat dit in wezen hetzelfde is. De personages van Jongstra hebben meestal alles wat los- en vastzit gelezen, ze weten over alles mee te praten, maar veel nieuws te beweren hebben ze niet. Ze richten zich, zoals ze zeggen, bij voorkeur op bijzaken en grillige invallen. De vorm is belangrijker dan de inhoud.

“Ik heb wel eens het verwijt gehoord dat mijn verbale feestelijkheden tot niets leiden,” zegt het personage in het laatste verhaal uit de bundel. En zo is het ook. Bij Jongstra gaat het om het hoe en niet om het wat. Hij schrijft geen verhalen, die "sluiten als een bus'. "We zien wel waar we uitkomen' zegt iemand terecht. Vertellingen beginnen bij wat de verteller bij de eerste aanblik opvalt en gaan dan al associërend verder en verder.

Dat neemt niet weg dat dit "hoe' van het herinneren en het vertellen in de meeste gevallen de moeite waard is. Alleen al de manier waarop Jongstra in zijn monologen al associërend woorden en uitdrukkingen uit verschillende tijden en sociale lagen door elkaar mengt, getuigt van een groot taalbewustzijn. In sommige alinea's kun je, als je goed luistert, door elkaar heen de achttiende, de negentiende en de twintigste eeuw horen echoën. Ik ben wat ik me herinner te zijn, zegt een van de personages. En: ik besta bij mijn geheugen.

Atte Jongstra begint zich met Cicerone zo langzamerhand te ontwikkelen tot een specialist waar het het vermijden van een eigen toon aangaat. De personen die in zijn boeken aan het woord zijn, absorberen wat ze in de loop der jaren hebben gehoord of gelezen en maken daar een wonderlijke en over het algemeen ook smakelijke pastei van, met oubollige waarnemingen, kneuterige woordjes, snelle termen en ambtelijke uitdrukkingen.

Het verhaal "Hengelen naar de Kern' is niet in alle opzichten representatief voor de hele bundel. Zo loopt het verhaal in de meeste andere verhalen wel redelijk door, en zijn er meestal ook wel duidelijker hoofdpersonen. Maar ook bij die andere verhalen ben je achteraf vaak verbaasd dat je ze hebt uitgelezen. Jongstra schrijft dan ook vast niet zo argeloos als hij het nu vaak doet voorkomen. In het laatste verhaal licht hij al een tipje van de sluier op, als hij zijn ik-figuur laat aangeven hoe hij als het moet concessies aan de lezer doet: “Voor de liefhebber van waarheid in plaats van waarachtigheid, van aangrijpende bekentenisliteratuur of avonturenboeken, las ik hier en daar een passage in. "Mooie verhalen' noem ik dat. Behalve de lezer heeft niemand er wat aan. Maar die lezer heb je toch nodig. Waar doe je het anders allemaal voor?”