Door zoenoffers manoeuvreert Jeltsin zich naar isolement; Scenario in Moskou begint te lijken op dat van 1991

MOSKOU, 27 NOV. Het is in de Russische politiek verstandig om niet te lang bij de voordeur op de uitkijk te staan. De achterdeur is vaak belangijker. Wie door de hoofdingang het pand van de macht verlaat, wordt namelijk niet zelden via de dienstingang weer binnengelaten. De politiek in Rusland lijkt op een gesloten energiesysteem waarbij zo nu en dan alleen wrijvingswarmte vrijkomt.

Het is daarom nog te vroeg om een definitief oordeel te vellen over het ontslag dat de radicale democraten Gennadi Boerboelis, Michail Poltoranin en Jegor Jakovlev deze week heeft getroffen. De eerste heeft immers aangekondigd de president te willen blijven adviseren en de tweede zou zelf als kamikazepiloot terwille van Jeltsin om zijn ontslag hebben gevraagd. Van de drie is alleen Jakovlev kwaad.

Maar signalen zijn het wel. De zoenoffers passen in ieder geval in een patroon dat in zijn historische analogie herkenbaar is. Het is Russische politiek in zijn meest klassieke vorm. Alleerst gaat het in die cultuur om de “posities”. Wat daar vervolgens voor beleid uitrolt, is van later zorg. “Ik zal demonstreren dat ik een sterke president ben”, zoals Jeltsin eerder deze maand al zei. Met het aan de dijk zetten van het trio heeft Jeltsin dat willen bewijzen.

Deze trend is niet van vandaag of gisteren. Het proces is al enige maanden gaande. Dat eerder burgemeester Gavriil Popov van Moskou moest aftreden, dat de president vervolgens zijn adviseur Galina Starovoitova ontsloeg en bijna tegelijkertijd ook de hoofdstedelijke politiecommissaris Arkadi Moerasjov de pijp aan Maarten gaf, dat waren echter allemaal kleine feitjes. Popov was immers een hopeloos bestuurder die over een heldere analytische geest beschikt, maar niet bekwaam genoeg is om de puinhoop te leiden die Moskou nu eenmaal is. Moerasjov mocht dan wel een medestander van het eerste uur zijn geweest, in politiekringen kon hij als aardrijkskundige ook niet veel klaarspelen. En Starovoitova bleek op het kritieke moment niet te begrijpen dat de politiek soms alertheid vereist. Terwijl de oorlog in de Kaukasus ontbrandde, was zij als adviseur voor "nationale vraagstukken' nog bezig met een “diepgaande analyse”.

In zekere zin zou het ontslag dinsdag van televisiedirecteur Jegor Jakovlev ook nog in die categorie kunnen worden geplaatst. Jakovlev was immers een typische representant van de Chroesjtsjov-generatie, die begin jaren zestig het licht aanschouwde, daarna onder Brezjnev simpel kon worden weggezuiverd omdat ze nog zo jong waren en onder Gorbatsjov kwam bovendrijven. Jakovlev zelf werd bijvoorbeeld in 1968 ontslagen als hoofdredacteur van het tijdschrift Journalist omdat hij de toorn van ideologiechef Soeslov had opgewekt. Pas tijdens de perestrojka kon hij weer hoofdredacteur worden (van het toen toonaangevende weekblad Moskovskij Novosti) en na de mislukte staatsgreep van augustus 1991 was het Gorbatsjov die hem tot televisiechef benoemde. Hij wist toen waar hij aan begon. Zijn voorganger Leonid Kravtsjenko, ontslagen wegens collaboratie met de junta, had bij de portefeuille-overdracht al tegen hem gezegd: “Onafhankelijke televisie? Dat is onmogelijk. Niet in mijn tijd, niet in de jouwe, noch daarna.”.

Boerboelis en Poltoranin waren daarentegen uit ander hout gesneden. Ze waren de loyale bondgenoten van Jeltsin die, anders dan Popov en Jakovlev, nooit met aartsvijand Gorbatsjov en diens verlicht-communistische vleugel hadden gepacteerd. "Staatssecretaris' Boerboelis was de strateeg achter Jeltsin, de filosoof die achter de schermen als "grijze kardinaal' met het grote spel in de weer was. Vice-premier Poltoranin was de straatvechter van Jeltsin. Hij moest zeggen wat de president niet kon zeggen en dekte ondertussen de democratische pers tegen de steeds heftiger aanvallen van communisten, nationalisten en andere slavofielen, die zich niet konden vinden in het "westerse' imago van de nieuwe media. Beiden waren bovendien de ideologen van het “democratische bolsjewisme”, dat kort kan worden samengevat als de theorie dat de nieuwe macht, op de ruïnes die de putschisten van augustus 1991 ongewild hadden achtergelaten, zo snel en zoveel mogelijk overhoop moet zien te halen om de “revanchistische krachten” de pas te kunnen afsnijden.

Dat Jeltsin juist hen deze week heeft laten barsten is dan ook een teken dat hij de oppositionele Burgerunie tegemoet wil komen. Het zal niet het laatste signaal zijn, nu het door Jeltsin geminachte Congres van Volksafgevaardigden dinsdag toch gaat beginnen aan zijn sessie waarin het lot van het economische hervormingsprogramma aan de orde moet komen. De kans is groot dat er nog meer politieke hoofden op het offerblok worden gelegd. Bijvoorbeeld die van de ministers Aleksandr Sjochin (arbeid), Andrej Netsjajev (economische zaken) en Pjotr Aven (buitenlandse handel).

Als laatste zou minister Andrej Kozyrev van buitenlandse zaken aan de beurt kunnen zijn, eveneens een politicus die niet geliefd is bij de slavofielen van de Burgerunie. In de woorden van Jeltsins woordvoerder Vjatseslav Kostikov: Kozyrev zal “niet vóór het Volkscongres” worden ontslagen. Met andere woorden: de minister, die net als waarnemend premier Jegor Gaidar door het Westen op handen wordt gedragen maar in de interne politieke machtstrijd evenmin een cruciale rol speelt, moet het zwaard van Damocles nog een weekje boven zijn hoofd zien hangen. Gaidar kan dan blijven zitten, omdat het premierschap in de huidige fase van onstuitbaar economisch verval dermate onaantrekkelijk is dat niemand er zijn handen aan wil branden.

Kozyrev zelf heeft deze speculaties gisteren “absolute nonsens” genoemd. Maar de nationaal-conservatieve politicus Nikolaj Travkin, een der populairste voormannen van de Burgerunie, heeft gisteren laten weten dat Jeltsin wat hem betreft nog niet diep genoeg door de knieën is gegaan. “Het succes van het Volkscongres hangt af van de stappen die de president nog gaat nemen. We moeten nú over van de politiek van het schrijven van programma's naar de politiek van de actie”, aldus Travkin.

In zekere zin zijn al deze manoeuvres een herhaling. Dit voorjaar had Jeltsin eveneens te kampen met een weerbarstig parlement dat zich wilde ontdoen van zijn regering. Toen traden aan de vooravond van het Volkscongres twee vice-premiers af: Sergej Sjachrai en, inderdaad, Gennadi Boerboelis. Om allebei vervolgens via de achterdeur doodgemoedereerd in het Kremlin terug te keren. De eerste als juridisch adviseur in de zaak tegen de communistische partij bij het Hooggerechtshof en sinds deze maand opnieuw als vice-premier voor nationaliteitenkwestis. Boerboelis werd simpel "staatssecretaris' in persoonlijke dienst van de president en behield aldus zijn donkerblauwe dienst-Mercedes. Zo zou het nu met Boerboelis, Poltoranin en ook Jakovlev weer kunnen gaan. Als de kruitdampen zijn opgetrokken, moet blijken welke konijnen er nog in Jeltsins hoed zitten.

Maar al die chicanes laten onverlet dat Jeltsin deze week zijn speelruimte danig heeft verkleind. Net als eerder Gorbatsjov heeft hij het afgelopen jaar kunnen functioneren bij de gratie van zijn middenpositie. Terwijl de groep rond Boerboelis op de linkerflank opereerde en de oppositie van werkgevers en werknemers de rechterflank bezet hield, kon Jeltsin in het centrum manoeuvreren. Door het ontslag van de revolutionaire democraten in zijn omgeving ziet hij zich nu zelf nu op de linkervleugel gepositioneerd. Jeltsin is daarmee net zo'n randfiguur geworden als Gorbatsjov toen deze zich eind 1990, begin 1991 terwille van het compromis met rechts meende te moeten ontdoen van zijn frontsoldaten Vadim Bakatin (toen minister van binnenlandse zaken), minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze en perestrojka-architect Aleksandr Jakovlev. Toen Gorbatsjov in het voorjaar van 1991 op zijn schreden terugkeerde en ten langen leste het compromis met Jeltsin ging zoeken, was het echter te laat. Dat zou hem in de zomer van 1991 in zijn datsja op de Krim nog hardhandig worden duidelijk gemaakt.

    • Hubert Smeets