De verleidingenvan de gewone man

Richard Pipes is iemand die een tijdlang adviseur van president Reagan voor zaken betreffende de Sovjet-Unie is geweest. Dit is (of was?) voor velen voldoende reden om niets van zo'n man te willen weten. Misschien was van hem wel de term Evil empire - rijk van het kwade - afkomstig, als hoedanig Reagan, tot afschuw van alle weldenkenden, de Sovjet-Unie eens betitelde!

Niettemin had Pipes als hoogleraar geschiedenis aan de Harvard Universiteit een hele reputatie verworven, en geruime tijd vóór Reagans aftreden was hij tot de wetenschap teruggekeerd. Zijn nieuwste boek, dat vorig jaar verscheen, ging over The Russian Revolution 1899-1919.

Ik neem aan dat het artikel dat hij in de Times Literary Supplement van 6 november over die revolutie schreef, er min of meer een samenvatting van is. In elk geval trekt hij uit de Russische revolutie, die een poging was de geschiedenis zin en doel te geven, deze conclusie:

“Misschien is de tijd gekomen om - na twee wereldoorlogen, Hitler, Lenin, Stalin, Mao en Pol Pot - de hele notie te verlaten van de geschiedenis (met een grote G) als een metafysisch proces dat naar een doel leidt waarvan de mensen zich slechts vagelijk bewust zijn.”

Zelf ziet Pipes, die zichzelf “een beoefenaar van de geschiedenis met een kleine g” noemt, in de bronnen waarover hij beschikt “geen enkele aanwijzing van een hoger doel. Ik zie uit de eigentijdse documenten alleen maar talloze gewone individuen oprijzen die niets anders willen dan een gewoon leven leiden, maar die tegen hun wil worden meegesleept om te dienen als bouwmateriaal voor fantastische structuren, ontworpen door mannen die geen vrede kennen”.

Dat de geschiedenis geen zin - althans geen kenbare zin - heeft, daar kunnen we mee akkoord gaan. Betwistbaarder is de stelling dat talloze gewone individuen, die niets anders willen dan een gewoon leven leiden, tegen hun wil door rusteloze en gewetenloze leiders meegesleept worden om te dienen als bouwmateriaal voor hun fantastische plannen.

Het fascinerende en griezelige van het twintigste-eeuwse totalitarisme is juist dat talloze gewone mensen mèt hun wil meegesleept worden. Fascisme en communisme zijn massa-bewegingen, wat wil zeggen dat zij berusten op de wil en de geestdrift van talloze individuen.

Dat onderscheidt ze van ouderwetse absolute monarchieën en modernere autocratieën of dictaturen à la Franco of Pinochet. Die vonden hun machtsbasis en hun legitimiteit niet in het volk; die hadden ook geen immense partijorganisatie nodig om het volk achter zich te mobiliseren. (Van de talloze latijns-Amerikaanse dictators voldoet alleen de Argentijn Juan Perón, met zijn descamisados, aan het totalitaire model.)

Als communisme of fascisme slechts een kwestie was geweest van één man of één bende tegenover een geknechte massa, dan zou het betrekkelijk weinig problemen hebben opgeleverd (behalve voor de slachtoffers). Nee, het is juist de aantrekkingskracht die zulke meedogenloze bewegingen op de gewone man (en vrouw) blijken uit te oefenen, die het probleem vormt.

In het onlangs verschenen boek Kindheit und Jugend unter Hitler schrijft oud-bondskanselier Helmut Schmidt, sociaal-democraat en geboren in 1918: “Achteraf gezien, zou ik toen heel best voor de tijdgeest kunnen zijn bezweken en - althans aanvankelijk - een kleine nazi kunnen zijn geworden, als daar niet mijn joodse grootvader zou zijn geweest”. Alleen die grootvader - of het feit dat die bestond (of bestaan had) - maakte Helmut Schmidt tot iemand die “tegen” was (hoewel hij een “plichtsbewuste patriot” bleef, die dan ook zijn militaire dienstplicht in de oorlog vervulde).

Zo zijn er miljoenen geweest, maar dan zonder joodse grootvader. Het zijn niet alleen de gefrustreerden, de labielen en de neuroten, en zeker niet alleen de misdadigers en de avonturiers, die zich laten meeslepen door de terribles simplificateurs. Wie dat denkt - en het is verleidelijk, en zeker gemakkelijk, dat te denken - onderschat het gevaar van het fascisme, van welke kleur dan ook, schromelijk.

Daarom is de uitkomst van een enquête die in maart/april van dit jaar onder de Saksische jeugd (van 14 tot 25 jaar) gehouden is en waarvan het weekblad Das Parlament in zijn septemberbijlage verslag doet, zo onthutsend.

Want wat blijkt - tegen de verwachtingen in? De rechts-georiënteerde jeugd, die vooral op de scholen sterk vertegenwoordigd is, is helemaal niet zo ontevreden met het leven (en met de ouders), zo pessimistisch, zo angstig en zo uitzichtloos als algemeen aangenomen wordt. Die kwalificaties blijken eerder te passen op degenen die zich links noemen. Kortom, die rechtse jeugd - overigens niet gelijk te stellen met de skinheads die brandbommen gooien in tehuizen van asielzoekers en gastarbeiders - is heel normaal.

We zouden onszelf voor de gek houden als we dit verschijnsel zouden afdoen met de verklaring van "die onverbeterlijke Duitsers'. In de eerste plaats gaat het hier om een jeugd die tot 1989 "socialistisch' opgevoed is geweest onder de plak van de fanatieke Margot Honecker. Die opvoeding zou, zou je zo denken, haar op z'n minst immuun moeten hebben gemaakt voor fasciserende neigingen.

Dat dit niet zo is, is het zoveelste fiasco van de DDR. Maar belangrijker is de opmerking dat het argument van de Duitse onverbeterlijkheid, die zelfs veertig jaar communistische indoctrinatie zou hebben overleefd, een regelrechte racistische opmerking is. Beter is het ermee rekening te houden dat ook niet-Duitse gewone mensen vatbaar kunnen zijn voor nationalistische en nog ergere aanvechtingen.