De Staat als kunstwerk

De meeste politici zijn van zichzelf vervulde analfabeten, die alleen al om esthetische redenen het spreken in het openbaar zou moeten worden belet.

Toen ik burgemeester Van Thijn eens een rede hoorde houden (bij de uitreiking van de Gouden Ganzeveer aan het Cultureel Supplement) geloofde ik mijn oren niet: hij wist van geen ophouden en had het uitsluitend over zichzelf. Hoe komt het dat zulke mensen niet door hun omgeving tegen zichzelf worden beschermd (of weggelachen), zo vroeg ik mij "verbijsterd' af; het antwoord is vermoedelijk dat het hele verschijnsel juist mogelijk wordt gemaakt doordat politici zich omringen met mensen die dat nalaten.

Natuurlijk, er zijn uitzonderingen, en een daarvan is Hans van Mierlo. Niet dat hetzelfde verschijnsel niet ook bij hem op de loer ligt, maar in het algemeen is het, bijvoorbeeld op televisiebeelden van debatten in de Kamer, een verademing hem te horen spreken - de enige die zich in grotemensentaal uitdrukt, de enige die grappen maakt waarbij je er niet naar verlangt om je op te knopen, de enige die nog wel eens verstandige dingen zegt en de indruk maakt belezen te zijn. Jammer dat hij lid is van die guinese biggenpartij, D66.

Hoe jammer, dat bleek nog eens bij het lezen van de Coornhertrede, door Van Mierlo gehouden in Gouda op 20 november, en de volgende dag afgedrukt op de Opiniepagina van deze krant. Wat is bepalend voor wat in de taal van politici "het huidige tijdsgewricht' heet? Ik zou zeggen de ineenstorting van het communisme en het feit dat de sociaaldemocratie in die val wordt meegesleept. Maar Van Mierlo zegt daar niets over; hij heeft het weliswaar ook over een ineenstorting, maar een andere; voor hem gaat het nog steeds over die van het "in de wereld zo unieke Nederlandse zuilenstelsel'.

"Het is bizar dat je na vijfentwintig jaar tot dezelfde analyses komt,' aldus Van Mierlo; en er komt nog bizarder: "en min of meer tot dezelfde antwoorden'. En waarachtig, hij geeft ook werkelijk die antwoorden uit 1966: "een persoonlijker kiesstelsel voor de Kamer, een direct gekozen minister-president, een gekozen burgemeester, een referendum, rechtstreekser verbindingen tussen kiezer en macht...'

Dit nu zijn precies de dingen die mij er al vijfentwintig jaar van weerhouden om op D66 te stemmen. In het land waar ik 35 jaar heb gewoond heb ik ze in praktijk kunnen zien en ik heb ze altijd als een ramp voor de natie beschouwd.

Het merkwaardige is dat men in diezelfde krant van 21 november kon lezen wat de consequenties van deze instellingen zijn. In het Zaterdags Bijvoegsel stond een bespreking, door Henk Steenhuis, van La France du piston van Askolovitch en Attal (Laffont 1992). Ik citeer: “In de Franse politiek vinden dienst en wederdienst hun volmaakte evenwicht. De burgemeester is gekozen, het kamerlid is afgevaardigd door z'n eigen regio en beiden is er alles aan gelegen het de mensen naar de zin te maken. Een groot deel van de dag gaat daarom heen met het vergeven van gunsten. Hier een bouwvergunning, daar een studiebeurs, uitstel van militaire dienst, een baantje op het gemeentehuis...”

Parijs heeft een gekozen burgemeester, Jacques Chirac, die ook jarenlang met dit ambt het premierschap heeft gecombineerd. Nu heeft de gemeente Parijs ook vele huizen in eigendom; toen het blad Le canard enchané een keer onderzocht wie er allemaal wonen in de rue de Seine, een van de aantrekkelijkste straten van de stad, “kwam het hele organisatiemodel van de gemeentelijke staf op tafel. Medewerkers van Jacques Chirac, kinderen van medewerkers, overige familie en bekenden, ze woonden allemaal in de rue de Seine, op de mooiste appartementen en tegen de laagste huren.”

“Ook de Franse President is een pistonneur in hart en nieren. Zijn hele loopbaan heeft Mitterrand in clans geopereerd en de meeste vrienden van weleer hebben daar een mooie betrekking aan overgehouden. Minister, staatsraad, adviseur aan het Elysée, hoge onderscheidingen, dienstwoningen als paleizen...” Door gans Frankrijk rijden de kruiwagens, schrijft Steenhuis, en dat is nog een understatement.

En dan het referendum. "Het referendum ondermijnt de representatieve democratie', luidde de titel van een mij uit het hart gegrepen artikel van Kees Bastianen in De Volkskrant (23-10-'92). Ik citeer: “De onzin die in de Franse discussie over "Maastriek' is verkocht tart iedere verbeelding... Wie het Verdrag van Maastricht onder ogen heeft gehad en de historische context ervan kent zal beseffen dat het waanzin is de kiezers te vragen daarover per referendum met ja of nee te beslissen...”

"Directe democratie' is De Telegraaf aan de macht en voor alles waar het gesundes Volksempfinden een hekel aan heeft, immigranten voorop, een reden om te sidderen. Nederland dankt in mijn ogen een zeker fatsoen aan het feit dat over kwesties als de doodstraf, de ontwikkelingshulp, de bejaardenpensioenen, het bestraffen van kinderlokkers, de behandeling van verslaafden, het ondersteunen van kunstenaars en niet in de laatste plaats de hoogte der belastingen niet door de volkswil wordt beslist.

Zojuist schijnt in Oostenrijk de beruchte antisemitische politicus Jörg Haider voldoende handtekeningen te hebben verzameld om de regering te dwingen in januari een referendum te organiseren over de vraag of er een immigratieverbod moet komen. De sociaal-democraten, de kerken, Simon Wiesenthal, kanselier Vranitzky en de regering zitten met hun handen in het haar met de vraag hoe ze zo'n referendum kunnen verhinderen. Word wakker, D66, er is een kwart eeuw voorbijgegaan.

De Staat, citeert Bastianen de historicus Frank Ankersmit, is geen imitatie van de samenleving, hij is er de politieke kristallisatie van. De Staat is een soort kunstwerk. Zijn verhouding tot de samenleving is een esthetische. Ziedaar nu een denkbeeld dat D66 eens zou moeten proberen uit te dragen. De politicus als kunstenaar. Alvast two cheers voor Van Mierlo.

    • Rudy Kousbroek