"De Serviërs gebruikten ons bij hun opmars als levend schild'

SKOPJE, 27 NOV. “Ik heb mijn buren altijd geloofd. Dat zijn Serviërs, en toen ze me zeiden dat ik in Rudo kon blijven en dat ik als moslim geen gevaar zou lopen, ben ik gebleven. Tot ze kwamen. Tot ze me kwamen halen,” zegt Rasim Muratovic.

Rasim Muratovic is 33, bakker was hij, in Rudo, een stadje van vierduizend inwoners in het zuidoosten van Bosnië, waar de Serviërs de meerderheid vormden. Hij is een magere jongen met blauwe ogen en een stoppelbaard, soms beeft hij een beetje. We spreken hem in het vluchtelingenkamp op de berg Vodno boven de Macedonische hoofdstad Skopje, in een kamertje dat hij deelt met zijn vrouw en kinderen, zijn schoonzus en zijn moeder. Als je de kamer binnenkomt, stuit je op een muur van vochtige kou. Buiten hangt mist en ligt sneeuw.

De moeilijkheden in Rudo begonnen begin juni, toen er in de omgeving, waar de moslims in de meerderheid zijn, werd geschoten. Toen daarbij twee Serviërs werden gedood, zegt Muratovic, begonnen de Serviërs de dorpen te bezetten. “Overal werden moslims opgepakt. Ze werden door de Serviërs als een levend schild gebruikt bij hun opmars naar het volgende dorp. Zeker twee van hen zijn daarbij gedood.”

Het leven in Rudo was toen al ondraaglijk, zegt Muratovic. De Serviërs waren er de baas, ze konden gewoon je huis binnenwandelen en de sleutels van de auto opeisen. Ondanks de verzekering van zijn buurman werd hij op 16 juni opgepakt en met rond honderd andere moslims opgesloten in de kazerne van Kasavna, die door de Serviërs als gevangenis werd gebruikt. “De behandeling was verschrikkelijk. We werden elke dag geslagen. Ze hebben op me geürineerd. Ik heb gezien hoe ze een man hebben laten doodbloeden op de plek waar hij was neergevallen. Toen ze bij een moslim in Rudo een jachtgeweer aantroffen, hebben ze ons een week lang niets te eten gegeven.”

De meeste Serviërs die zich op die manier misdroegen waren afkomstig uit Rudo zelf, sommigen van hen heb ik goed gekend, zegt Muratovic. “Er waren voor de oorlog in Rudo nooit problemen tussen de moslims en de Serviërs geweest, maar toen de oorlog uitbrak, sloten veel Servische jongens zich aan bij de groep van kapitein Dragan (een van de meest beruchte cetnik-leiders, red.).”

Na een maand, op 20 juli, werd Mutarovic vrijgelaten - waarom is hem nooit duidelijk geworden, de meeste andere gevangenen gingen naar een kamp in Visegrad. Mutarovic sloeg op de vlucht, met zijn moeder, zijn vrouw en zijn kinderen, richting Priboj, twintig kilometer verder. “We hebben daar een week over gedaan, lopend, je kon niet op straat komen, dat was te gevaarlijk, ze konden alles met je uithalen. We hebben onderweg alleen maar afgebrande dorpen gezien.”

Sinds augustus zit Muratovic met zijn familie in het kamp in Vodno. Hij heeft nog een keer met zijn Servische buren gebeld, hij kreeg te horen dat zijn huis er nog stond maar dat er nu Serviërs wonen, en dat zijn vader dood was, die te oud, te moe en te ziek was geweest om te vluchten. Hoe zijn vader is gestorven, weet hij niet, dat zei die Servische buur er niet bij.

Terug naar Bosnië ziet hij zich niet gaan. “Ze hebben daar hun "etnische schoonmaak' gehouden, daar kunnen we nooit meer heen.” Hij zou naar het buitenland willen, laatst is er een groep naar Spanje vertrokken. “Maar we hebben niets te willen. Anderen beslissen over ons.”

Op een ander bed zit Ziada Hamzic, zijn schoonzus, 27, hoogblond, ze komt uit Sarajevo en was er receptioniste, vertelt ze. Op 5 april ging ze naar Rudo, voor twee daagjes, om haar moeder op te zoeken. Maar na die twee dagen kon ze niet meer naar Sarajevo terug, daar werd gevochten, ze moest in Rudo blijven. Tot begin juni, toen het ook in Rudo heel gevaarlijk werd, ze is toen met haar moeder en haar broer richting Macedonië gevlucht. Dat was vlak voordat haar zwager Rasim Muratovic, die zo op zijn Servische buren had vertrouwd, werd opgepakt. Haar eigen vader bleef achter: hij werd door de Serviërs gevangen genomen, waar hij nu is weet ze niet, ze weet niet eens of hij nog leeft.

Haar broer en haar moeder zijn er twee weken geleden in geslaagd naar Denemarken te gaan, zelf was ze daarvoor te ziek, en bovendien was er geen geld, je hebt daarvoor wel vijfhonderd mark nodig, zegt ze.

Ze klaagt over het kamp, het is hier koud, zegt ze, er zijn geen medicijnen. Ze heeft angina en heeft een week in bed gelegen, “de omstandigheden hier zijn heel slecht.” Ze heeft ook niets, alles wat ze van zichzelf heeft zijn een trui en haar oorbellen, ik ging ook maar voor twee dagen uit Sarajevo weg. Wat ze aan kleren heeft heeft ze van het Macedonische Rode Kruis. Buiten ligt sneeuw, zegt ze, maar schoenen heb ik niet. Ze toont haar voeten. Ze steken in slippers.

Ja, zegt ze, ze zou ontzettend graag weg willen, er zijn geen garanties dat de oorlog ons hier in Macedonië niet inhaalt, we voelen ons onveilig. “En bovendien, ik ben een vreemdeling in Macedonië, ik heb hier geen perspectief.” Nog liever zou ze teruggaan naar Sarajevo, “ik geloof er nog in, al was het maar omdat ik de eerste zou zijn die zich zou melden voor de wederopbouw. Ook al ben ik ziek.” Maar of het er ooit van komt? Ze zucht. “We hebben geen idee. We laten het aan het lot over.”

Als we wegrijden, staat ze boven aan de weg en zwaait, een blond meisje in de mist.