De economie van Macedonië zit klem tussen oorlog en boycot; Interesse voor "unieke' privatiseringen weggeëbd

SKOPJE, 27 NOV. “De Oosteuropese landen pakken het niet goed aan, met de privatisering”, zegt dr Jane Miljovski. “Ze wijzigen de structuur van de economie niet. Ze geven bedrijven gewoon weg. Maar zo verander je de houding van de mensen niet, te veel eigenaars betekent geen eigenaars, geen controle, geen verantwoordelijkheid. Wij hier doen dat beter.”

Dr Jane Miljovski heeft een ei van Columbus, en als alle omstandigheden normaal zouden zijn, zou het Macedonië, het land waarvan hij minister van privatisering is, economisch best voor de wind gaan, óók op zijn vakgebied. Maar helaas, de omstandigheden zijn niet goed: Macedonië wordt niet erkend, is geïsoleerd door een economisch potdichte grens in het noorden en een economisch potdichte grens in het zuiden. “De Macedoniërs weten niet of ze morgen te eten hebben, dus het verbaast niet dat niemand belangstelling heeft voor het steken van geld in een eigen bedrijf.” En dus zit dr Jane Miljovski, ondanks zijn ei van Columbus, met de handen in het haar.

De privatisering van de Macedonische economie verliep best voorspoedig tot de oorlog in het noorden en de Griekse boycot in het zuiden roet in het eten gooiden. Miljovski: “Er was natuurlijk een voorgeschiedenis die hielp. De houding ten aanzien van privébedrijven is hier niet op slag veranderd, zoals in Oost-Europa, maar geleidelijk. Vroeger waren wel privébedrijven mogelijk, zij het alleen kleine.” In 1989 en 1990 kwam de omslag, het groene licht, en vanaf die tijd is het ook heel makkelijk om een eigen bedrijf te stichten, een kwestie van twee dagen, “makkelijker nog dan elders in ex-Joegoslavië”, zegt Miljovski.

Inmiddels is bijna negentig procent van de twintigduizend bedrijven in Macedonië geprivatiseerd. Het gaat meestal om kleine bedrijven: de resterende tweeduizend bedrijven die nog "sociaal eigendom' zijn, vertegenwoordigen wel 65 procent van het totale kapitaal. “We hebben een programma opgesteld voor de privatisering van nog eens 1400 bedrijven binnen de komende vijf jaar,” zegt Miljovski, “daar zijn altijd nog steeds 880 bedrijven bij die tot de kleintjes worden gerekend, met minder dan vijftig werknemers.”

Het probleem vormt de categorie grote bedrijven en dat zijn er ook nog heel wat, want het socialisme, ook Tito's socialisme, had geen oog voor middelgroot, bedrijven moesten allemaal hun eigen transportsector hebben, duur en inefficiënt, moesten uitdijen tot grote monopolies. Dat gold al helemaal voor Macedonië en de andere arme delen van ex-Joegoslavië, het zuiden van Servië, Kosovo, Montenegro, waar grote bedrijven prestigeprojecten waren waarmee de communisten zich konden legitimeren: hoe meer rokende schoorstenen, hoe beter.

Die grote bedrijven moeten worden ontrafeld, zegt Miljovski. “Ze moeten uit elkaar worden getrokken. Die transportsector moet eraf, ze moeten worden opgedeeld in wat kan overleven en wat niet. En wat kan overleven moet worden geprivatiseerd.”

En daar ligt zijn ei van Columbus. Bijna overal in het Oosten, zegt hij, in Polen, in Rusland, in Tsjechoslowakije, zelfs in Slovenië, geeft men de bedrijven weg, burgers krijgen vouchers waarmee ze aandelen in de nieuwe privébedrijven kunnen kopen.'' Hier niet, zegt hij, je moet niet weggeven, je moet verkopen.

In Macedonië wordt de controle over het bedrijf verkocht, zegt hij: “We bieden 51 procent van het bedrijf te koop aan, of meer natuurlijk, en altijd aan één persoon of aan een groep van personen. Nooit minder dan 51 procent, omdat we altijd en onder alle omstandigheden willen weten dat er iemand de baas is, iemand die aanwijsbaar is.” Alleen zo, zegt hij, kweek je verantwoordelijkheid voor het bedrijf. “Als je aandelen weggeeft kan het de mensen niet zo erg veel schelen wat er gebeurt met het bedrijf. Als ze ervoor moeten betalen wordt dat al heel anders. En als er iemand is die de controle in handen heeft, is er ook iemand die knokt voor het overleven, voor de winst.”

De gedachte is op zich niet origineel: zover was men elders in Oost-Europa ook al, alleen is daar de sociale druk om het zogenaamde staats- (dus volks)eigendom ook werkelijk aan het volk te geven erg groot en is het aantal gegadigden dat financieel in staat is zich de helft of meer van het aandelenkapitaal van een bedrijf aan te schaffen te klein. Het gevolg is dat er van de zogenoemde grote privatisering in Oost-Europa niet veel terecht komt.

Wel origineel is de Macedonische manier om dat laatste bezwaar - dat van het geringe aantal kapitaalkrachtige kopers - op te vangen. Miljovski: “Als iemand zich geen 51 procent kan veroorloven, maar bijvoorbeeld maar twintig procent, maken we een contract. Hij moet natuurlijk een plan hebben, een programma. Hij koopt dan 51 procent van de aandelen, betaalt twintig procent, krijgt ook maar twintig procent in handen, maar is intussen wel de baas in het bedrijf, hij heeft de controle. De resterende 31 procent houden wij - de staat - voor hem vast. Hij krijgt maximaal zeven jaar de tijd om die 31 procent te kopen. Lukt hem dat, dan heeft hij na die periode zijn 51 procent. Lukt het hem niet, dan is hij die twintig procent kwijt die hij al heeft betaald.”

Het is een uniek model, zegt Miljovski, temeer omdat het voor de overheid veel minder duur is dan op het eerste gezicht lijkt: die zeven jaar zijn een flinke stok achter de deur en de motivering om een winstgevend bedrijf op te bouwen is groot. “Maar het grootste voordeel is de controle. Wie controleert in Oost-Europa een manager? In het vroegere Joegoslavië waren het de arbeiders. Vergeet het maar. In het Oosten was het de staat, is het meestal nog steeds de staat. Het resultaat kun je gaan bekijken: chaos en criminaliteit, want ginds is de staat niet meer in staat de managers te controleren.” Hier gaat het anders, zegt de minister, hier is geen criminaliteit, hier is duidelijkheid: a clear line of command.

Het had als een trein kunnen lopen, zegt Miljovski, temeer omdat Joegoslavië geen gebrek aan goede managers heeft: de markteconomie bestaat al twintig jaar, er was vroeger geen vrije kapitaalmarkt en geen vrije arbeidsmarkt, maar aan de omstandigheden op de vrije markt zijn we hier al heel lang gewend. “We begonnen anderhalf jaar geleden met de aanpassing van de wetgeving. In mei van dit jaar hadden we van start willen gaan.”

In mei ging er niets van start: inmiddels was Joegoslavië in oorlog met zichzelf, later werd Macedonië een belangrijk maar onschuldig slachtoffer van de VN-sancties tegen Servië in het noorden en van de Griekse blokkade in het zuiden en begon de hele Macedonische economie af te sterven. Het buitenlands kapitaal vertegenwoordigt in toto nog geen zestien miljoen dollar en dr Jane Miljovski kan zijn privatiseringsplan inmiddels wel in de prullenbak gooien, met het ei van Columbus erbij. “Nu voelt niemand er meer voor”, zegt hij wat mismoedig, “zelfs de vakbonden zijn er nu tegen. En de spanningen in het land groeien, steeds meer mensen pleiten voor dat Oosteuropese scenario, die vouchers die ze cadeau krijgen. Politiek ligt dat weggeef-scenario nu heel goed.” De Macedoniërs hebben het gevoel dat ze nu wel genoeg voor hun kiezen hebben gehad.

Het is jammer, zegt de minister, want we hadden de snelste weg uit de problemen gevonden en worden gefrustreerd door een crisis die ons is opgedrongen. “Ik zeg niet: help ons alsjeblieft. We waren in staat onszelf te helpen, we hadden geen hulp nodig. Maar de wereld heeft ons in een idiote situatie gemanoeuvreerd: de wereld heeft verhinderd dat we onszelf helpen.” Het zit hem hoog, zoals het èlke Macedoniër hoog zit: “Dat is het werk van de EG. Kijk naar de Griekse blokkade. De Gatt-regels zeggen dat een land zonder kustlijn altijd vrije toegang tot zee moet hebben. Griekenland blokkeert die toegang en de EG laat het toe. Kan de EG daarmee leven? Ik weet ook wel dat het in de politiek vooral om belangen gaat, maar moet je daarvoor nu echt je morele criteria opzij zetten?”