Dadelijk spijt van elk mild woord; Het cynische toneelwerk van Franz Grillparzer

“Hij heeft iets dat hem gevaarlijk maakt: een warme fantasie, en een koud en trouweloos hart!” schreef Franz Grillparzer over zichzelf. Bij zijn naam denkt men vooral aan het muffe Biedermeier, maar zijn verregaande scepticisme doet verrassend modern aan. Karst Woudstra is de eerste jongere regisseur in Nederland bij wie De jodin van Toledo, een treurspel uit 1851, op het repertoire staat. Vanavond gaat het in première bij Theater van het Oosten in Arnhem.

De meeste citaten in dit artikel zijn gebaseerd op: Franz Grillparzer. Werke in einem Band, uitg. Harenberg 1982. Binnenkort verschijnt van Die Jüdin von Toledo een integrale vertaling van Gerrit Komrij. De overige citaten zijn ontleend aan: Grillparzer über sich selbst. Aus den Tagebüchern, bezorgd door Heinz Politzer. Uitg. Insel 1965.

Franz Grillparzer (1791-1872) moet een moeilijke man zijn geweest. Zijn dagboekaantekeningen vormen tezamen één lange aanklacht tegen de vrouwen, tegen de wereld, tegen zichzelf. De gevierde Weense toneelauteur haat zijn achternaam en voor zijn eigen persoon kan hij slechts verachting opbrengen. "Hij', zo schrijft Grillparzer in 1824 over zichzelf, "hoeft niet bang voor de wijven te zijn, hem zullen zij niet onderwerpen, want hij heeft iets dat hem gevaarlijk maakt en hem tevens tegen gevaar beschermt: een warme fantasie, en een koud en trouweloos hart!'

In 1824 ontstonden ook de eerste scènes van het treurspel Die Jüdin von Toledo, dat Grillparzer pas in de jaren vijftig voltooide. Kennelijk lag hij nogal met de materie overhoop, die, zoals trouwens in al zijn stukken, een sterk autobiografische inslag heeft. Een van de drijfveren voor het schrijven van deze tragedie was vermoedelijk een problematische liefdesrelatie. Met geveinsde onverschilligheid schermde Grillparzer zich af van zijn vriendin Marie von Smolenitz, wier zinnelijkheid hem verwarde en onzeker maakte.

Wie deze achtergronden kent begrijpt waarom de aandacht van de auteur niet in de eerste plaats naar de titelheldin uitging, maar naar haar mannelijke tegenspeler. In de figuur van koning Alfons kon Grillparzer allerlei problemen kwijt waar hij zijn leven lang mee worstelde: de spanning tussen hartstocht en afstandelijkheid, fantasie en intellect, verboden verlangens en plichtsvervulling. De volgende, in de tragedie opgenomen karakterisering van de koning zegt ook iets over Grillparzers zelfbeeld: "... ruw, zelfs bij de tederste ontmoeting / heeft hij dadelijk spijt van elk mild woord / zijn genegenheid is gecamoufleerde haat.'

Het verhaal is simpel. Tijdens een gevechtspauze met de Moren komt Alfons van Castilië wat op adem in zijn lustslot bij Toledo; we bevinden ons in het jaar 1195. Met zijn echtgenote Eleonore van Engeland, al even welopgevoed en deugdzaam als hijzelf, wandelt hij door de paleistuin, lichtelijk verveeld als altijd. Wat hij zegt is wijs, maar niet doorleefd, zoals hij zich ook beminnelijk voordoet zonder te weten wat liefde is. Dan verschijnt de jodin Rahel, achtervolgd door tuinlieden, die het bevel hebben joodse indringers in de boeien te slaan. Om bescherming smekend valt Rahel voor de voeten van de koning neer. "Haar weelderige boezem', noteert Grillparzer in zijn dagboek, "beroert zwellend zijn knieën, de koning is verkocht.' De Moren staan met hun legers aan de grens, maar zulke dingen interesseren Alfons van Castilië niet meer; liever gaat hij met Rahel spelevaren.

De metaforen in het stuk laten aan duidelijkheid niets te wensen over. De dag, dat is de heilige orde van staat en huwelijk, dat is het gezonde verstand en de ijzeren wil. De nacht, dat is spel en betovering, gevoel en onbestendigheid. De nacht, dat is Rahel. Rahel, verkleed als koningin, drukt een portret van de koning tegen haar borst en zegt: "Kijk, het is zo mooi / ik hang het in mijn kamer naast mijn bed / 's morgens en 's avonds kijk ik ernaar / en denk dan - wat men zoal denkt / wanneer men de last van zijn kleren van zich afgeworpen heeft.' Dit meisje, wild en grillig, volgt haar eigen ingevingen, zonder zich ook maar iets van de conventies aan te trekken. Als enige personage uit het stuk leeft zij niet uit de tweede, maar uit de eerste hand. De anderen hebben slechts een rol van buiten geleerd; zij kennen zichzelf niet en alles wat voor hen taboe is projecteren zij op de vreemdelingen in de stad. Zo verdenkt de koningin de joden en Moren van obscure toverkunsten, maar de koning weet wel beter: tovenarij, dat zit in jezelf, dat zijn de geheime wensen die een ieder met zich meedraagt. In Grillparzers drama's zijn het altijd buitenstaanders die de anderen tot zelfinzicht brengen, omdat alleen zij in staat zijn de macht der gewoonte te doorbreken.

Gerijpt door de omgang met de jodin van Toledo keert de koning naar de troon terug. Maar de edellieden van het land, onder aanvoering van de koningin, zijn al op weg om Rahel te vermoorden. Het laatste bedrijf toont beelden van dood en verwoesting: fakkels zetten de burcht Retiro in een spookachtig licht en in dat licht bewegen de mensen zich als schaduwen van wand naar wand. Bij zulke scènes komen de invloeden van het Spaanse baroktheater, in het bijzonder van Lope de Vega, duidelijk naar voren.

Liefde, vereniging, vernietiging en dood vormen in Grillparzers werk een onlosmakelijk geheel. In Die Ahnfrau, zijn eerste, uit 1817 daterende treurspel, vindt de hoofdpersoon de dood in een ijzige omarming, en in het sprookjesdrama Der Traum ein Leben (1834) leidt het verlangen naar macht en erotische avonturen tot geweld en zelfdestructie, in een droom althans die als waarschuwing is bedoeld. Wil Grillparzer ons op het hart drukken dat we moeten afzien van avonturen en dat het beter is een stil en beschouwelijk leven te leiden? Der Traum ein Leben laat inderdaad een dergelijke conclusie toe: "Eines nur ist Glück hienieden / Eins: des Innern stiller Frieden / Und die schuldbefreite Brust!'

In Die Jüdin von Toledo echter onthoudt de schrijver zich van een antwoord. Aan het eind van het drama lijkt de orde hersteld, maar er is geen sprake van een "schuldbefreite Brust'; de moordenaars zullen voor altijd moordenaars blijven. De enige verzachtende omstandigheid is dat de misdaad geheel tegen de wil van de betrokkenen in gebeurde. Daarom kun je deze tragedie, ondanks de strenge constructie en de even plechtige als heldere taal, geen klassiek drama noemen. Anders dan de klassieke held, die nog een ongebroken geloof in zijn eigen kracht heeft, staat koning Alfons al bij voorbaat machteloos tegenover de gebeurtenissen. Omdat Grillparzer niet meer in de wilsvrijheid van de mens gelooft heeft hij ook weinig vertrouwen in zaken als recht, moraal en verantwoordelijkheid. Mensen die bij alles wat zij doen door het noodlot worden gestuurd kun je immers moeilijk veroordelen; je kunt hen hun misdaden hooguit vergeven.

Schiller, Kleist en Büchner hadden veel radicalere standpunten. Misschien oefenen zij daarom wel een grotere aantrekkingskracht op jonge theatermakers uit dan de voorzichtige Grillparzer. Het is echter juist diens borende twijfel, aan zijn eigen persoon, aan de liefde, aan de vrije wil, die De jodin van Toledo ook nu nog de moeite waard maakt.