Croissantje met vlooien

Er waren eens een dromerige Abessijnse prinses en een speelse zwarte kater met witte poten. Op een dag huppelde de zwarte kater zomaar wat door de tuinen. De grond was nog hard. Maar de wind blies al lente. Ineens hoorde hij een klepperend katteluik. “Interessant, heel interessant”, mompelde de kater. “Wat zou daar achter zitten?” Hij sloop er naar toe en hij duwde met zijn kop tegen het wiebelende klepje.

Wat hij toen zag, deed hem trillen van opwinding. Achter het luik lag een grote kamer. Het was een prachtige kamer. Het leek wel een binnentuin. De kater snoof diep. Hij rook iets. Ja, planten en hyacinten. Maar toch ook iets heel speciaals...

Toen zag hij het. In de hoek van de kamer lag in het zonlicht de prinses. Haar gouden haren glansden. De kater was meteen verliefd. Hij kroop door het katteluik en zoende haar op haar zilveren snorharen.

De prinses lag net te dromen. Van een vervelende verwende Oosterse prins met wie ze moest trouwen. Het was dus maar goed dat ze wakker schrok. Eerst keek ze verbaasd naar de brutale zwarte kat op zijn afgezakte kniekousen. En toen moest ze heel hard lachen. Het leek wel of er een muziekdoosje in haar speelde. Het werd een onvergetelijke ochtend.

Het is warm. Erg warm. En de zomer is nog niet helemaal begonnen. In de tuin buitelen vier katertjes en twee poesjes. Goud en zwart met vlekjes en streepjes. Af en toe rennen ze langs hun moeder. Die heeft niet meer zoveel aandacht voor ze. Ze kunnen de wijde wereld in.

Kies maar uit, zegt de mevrouw van de mooie tuinkamer. Welke vind jij het liefste?

Ik heb het al gezien. DIE! “Tante Pollewop”, zegt de mevrouw. “Dat is een stoute hoor.” Maar ik weet het zeker. Polle wordt mijn poes. Thuis zet ik de kattebak klaar. En in de hoek van mijn kamer staat al een doos met een dekentje. Dan ga ik piano spelen.

Over mijn ramen rollen waterstraaltjes. De bomen zijn al kaal. Ik lig op mijn bed. Een laat herfstblad dwarrelt langs de kattebak op mijn balkon. Het katteluikje kleppert in de wind. Pollie kijkt niet op of om. Ze ligt aan mijn voeteneind. Een croissantje met oortjes in de kuil van mijn dons. Poezel van Doezel. Goud met zwarte vlekjes. Met een muziekdoosje en twee afgezakte kniekousen. Vlooien snoepen van haar koninklijke bloed. En ik hou van haar.