Carrousel herschikking opnieuw in beweging

AMSTERDAM, 27 NOV. Een gebeurtenis in de periferie van Europa was de aanleiding voor een hernieuwde herschikking in het wisselkoersmechanisme van het EMS. De ontkoppeling van de Zweedse kroon van de ECU op 19 november, bleek voldoende te zijn om het smeulende EMS-vuurtje weer flink op te stoken. De koersen van het Ierse punt, de Deense kroon, de Spaanse peseta en de Portugese escudo kwamen een dag later sterk onder de druk te staan. In het weekeinde werd besloten tot een derde herschikking in ruim twee maanden tijd. Na een eerdere devaluatie van de lire, een devaluatie van de peseta en de EMS-uittreding van de lire en het pond, werden nu de peseta (opnieuw) en de escudo met 6 procent afgewaardeerd. Het wachten is nu op een vierde herschikking, waarmee alle valuta's, die daarvoor volgens de geijkte systematiek in aanmerking komen, zullen worden gedevalueerd. Vooral ten aanzien van het Ierse punt bestaat gerede twijfel of de huidige pariteit is vast te houden. Nu de verkiezingen aldaar achter de rug zijn, en het wisselkoersbeleid dus geen electoraal item meer vormt, lijkt een afwaardering slechts een kwestie van tijd te zijn. Ook de Noorse kroon zal, hoewel geen deelnemer aan het EMS, de druk moeilijk weten te weerstaan en de koppeling aan de ECU naar verwachting moeten opgeven. Pikant daarbij is dat Noorwegen juist de afgelopen week officieel het EG-lidmaatschap heeft aangevraagd.

Ofschoon ook de Deense kroon en de Franse franc onder druk staan, ziet het beeld er voor deze munten iets gunstiger uit. Gelet op de prestaties op het gebied van inflatie en overheidsfinanciën van deze beide landen is er onzes inziens economisch-theoretisch gezien geen aanleiding voor een devaluatie. Niettemin kan de druk op beide munten nog enige tijd aanhouden. De lage inflatie in deze landen en de daaraan gepaard gaande hoge reële rente is niet lang houdbaar, te meer omdat beide landen meer rentegevoelig zijn dan de Duitse economie. In de optiek van de markt kan dit slechts worden opgelost door een renteverlaging (in Duitsland) of door een devaluatie van de betreffende munt. Daarentegen ondervindt de franc eventuele steun van het schijnbaar onvoorwaardelijke commitment van de Franse en de Duitse monetaire en politieke autoriteiten om de franse munt in het EMS-keurslijf te houden.

De kwetsbaarheid van de Deense kroon vloeit voort uit de relatief sterke verbondenheid van Denemarken met de overige Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk. Omdat meer dan 30 procent van de Deense export deze landen als bestemming heeft, zal de concurrentiekracht van de Deense exporteur de komende periode afnemen.

Bovenin het EMS bleef de situatie de afgelopen twee weken stabiel: de Belgische frank, de gulden en de D-mark toeven al geruime tijd dichtbij het bovenste interventiepunt. Van dit trio zijn de twee eerstgenoemde thans de "hardste' munten. Hierdoor waren DNB en de Belgische centrale bank in staat om met ingang van 19 november het rentetarief op speciale beleningen met 0,1 procentpunt te verlagen tot 8,7 procent, dat wil zeggen tot onder het vergelijkbare Duitse rentetarief (Repo-tarief).

Dat de Bundesbank nog geen aanleiding zag om het Repo-tarief neerwaarts aan te passen, kwam niet als een verrassing. Dinsdag werd namelijk bekendgemaakt dat de geldgroei in oktober met 10,2 procent was toegenomen, ruim boven de door de Bundesbank gehanteerde norm van 3,5 - 5,5 procent. De dollarkoers moest hierdoor iets terrein prijsgeven, omdat de gedachte postvatte dat een spoedige rentedaling in Duitsland door de geldgroeicijfers minder waarschijnlijk is. Aanvankelijk had de Amerikaanse munt steun ondervonden van de wat betere conjunctuurcijfers in eigen land en de sombere economische vooruitzichten in Duitsland. Voorts speelde de oplopende spanning in het EMS de munt in de kaart. Per saldo resulteerde een koerswinst van ongeveer 3 cent. Naar verwachting zal de "greenback' zich op korte termijn rond het huidige niveau blijven bewegen. Mocht een Duitse rentedaling echter actueel worden, dan is zelfs een hogere dollar te verwachten.

Bron: Economisch Bureau ING Bank