"Autoverkeer rond Utrecht staat over vijf jaar stil'

UTRECHT, 27 NOV. Bij ongewijzigd beleid zal het verkeer in en rond Utrecht over ongeveer vijf jaar tot stilstand komen. Om zo'n "verkeershartinfarct" te voorkomen zullen de gemeenten in de regio nauw moeten samenwerken.

Dit betoogde de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Utrecht, ir. J. Bevers, tijdens een symposium over de economische toekomst van de regio Utrecht. Bevers zei zelf "verbaasd" te zijn dat van de dertien miljard kilometer die jaarlijks in de regio wordt gereisd, slechts twintig procent doorgaand verkeer betreft. Dat betekent dat de verkeersdrukte vooral een probleem is van de regio zelf, aldus Bevers.

De provincie Utrecht is koploper op het punt van de verkeersdruk. Sinds 1986 is de automobiliteit in Utrecht al met 35 procent gestegen, terwijl de rijksoverheid er naar streeft dat cijfer landelijk pas in 2010 te bereiken.

Volgens Bevers kan de automobiliteit onder meer bestreden worden met de aanleg van Randstadspoor, een systeem van frequente treinverbindingen tussen de grote steden en de omringende gemeenten. De spoorverdubbeling die nu in het kader van het NS-plan "Rail-21' voor uitbreiding van de infrastructuur wordt doorgevoerd, biedt daarvoor goede mogelijkheden, aldus de hoofdingenieur. De regio zou voorts arbeidsintensieve werkgelegenheid alleen nog maar in de buurt van openbaar-vervoerlijnen moeten creëren.

Tijdens het symposium presenteerde een commissie onder leiding van de oud-commissaris van de Koningin in Drente, ir. A.P. Oele, een strategie voor de economische toekomst van de regio. Volgens de commissie-Oele moet voor een gezonde economische ontwikkeling de industrie meer aandacht krijgen. De regionale economie is nu te veel afhankelijk van de dienstverlening. Voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsterreinen is een gemeenschappelijke grondpolitiek van Utrecht en de omringende gemeenten noodzakelijk. Ook de ontwikkeling van het Utrecht City Project (UCP), een omvangrijke opknapbeurt voor het winkelcentrum Hoog Catharijne, zou volgens Oele met steun van de omringende gemeenten moeten gebeuren.