Asger Jorn

Er zijn kunstenaars die in hun werk het midden van een stijl opzoeken, die er de bedding van uitmaken, de brede vorm.

Picasso en Mondriaan waren zulke kunstenaars, Karel Appel ook, en De Kooning, Donald Judd en Jan Dibbets. Later zijn zij het dan die de kern van een stijl uitmaken; zij geven de stijl een klassiek, stabiel, trefzeker karakter. Maar anderen leven en werken aan de rand - aan de rafelige rand waar de stijl onzeker wordt en al begint te desintegreren. Daar vinden we figuren als Kurt Schwitters en Asger Jorn en Luciano Fabro.

Het is niet zo dat het eerste type alleen methodisch is en het tweede type wanordelijk en experimenteel. Welbeschouwd was Picasso net zo grillig in zijn verbeelding als Schwitters dat was in zijn fantasievolle omgang met het materiaal. Maar in het werk van Picasso bespeurt men een gevoel voor richting en een geloof in de taal van een oeuvre; bij Schwitters daarentegen zien we het werk steeds weer in stukken vallen, bijna letterlijk, en bij Fabro zien we hoe de stevigheid van het beeldende denken onophoudelijk door "invallen' wordt onderbroken.

Asger Jorn, al in 1974 veel te vroeg gestorven, was misschien wel de vreemdste van allemaal - een raadselachtige zwerver tussen het Noorden, waar zijn onrust vandaan kwam, en het cosmopolitisme van Parijs en Italië. Over het algemeen kennen we hem slecht. Hier kennen we hem eigenlijk alleen als een schilder van Cobra. Hij was een onwaarschijnlijk subtiele schilder, teder en dramatisch - maar tegelijkertijd hadden zijn schilderijen de vreemde, experimentele onzekerheid van de outsider die voortdurend aan de rand peutert van een stijl waar anderen, Karel Appel of Constant, zich veel comfortabeler in leken te voelen. Hij was de vreemdeling en vond daarin ook zijn houding. In stukken die hij over anderen schreef (vrienden en ontdekkingen als Dubuffet en Michaux) spreekt hij ook regelmatig over "ik die er als buitenstaander tegenaan kijk'. In een tijd dat kunstenaars, na een hevige verbrokkeling door de oorlog, een nieuwe en internationale eenheid zochten was het Jorn (hoewel die ook van eenheid droomde) die zich op polemische wijze als Deen wilde gedragen.

Zulke kunstenaars zijn goud waard. Zij beoordelen de kunst om hen heen buiten elk stilistisch compromis om. Hun uitgangspunt is fanatiek individueel, op het bizarre af. Dat is goed te zien in het museum van Silkeborg waar Jorns particuliere collectie bewaard wordt. Die collectie is de neerslag van vriendschappen, toevallig ontmoetingen en bewust verzamelen. Zij geeft een beeld van hoe een kunstenaar om zich heen de kunst geordend heeft, zonder andere esthetische vooroordelen dan die van hemzelf, curieus, bizar en soms hopeloos lokaal. Maar aan het eind van deze eeuw, die begon met een onvergetelijk artistiek oproer en die daarna naar eenheid zocht, is het voorbeeld van Jorns individualisme in denken en doen, zijn onafhankelijkheid als "buitenlander' van grote betekenis - nu ook wij die roerige jaren opnieuw moeten bezien.

    • Rudi Fuchs