Arts wijt dood asielzoekster aan behandeling

MEPPEL/ZWOLLE, 27 NOV. De Zaïrese asielzoekster Jacqueline Jojo Muluta is op 23 april van dit jaar overleden aan een tekortschieten van de medische zorg in de Diaconessen Inrichting te Meppel.

Dit staat in een rapport dat vertrouwensarts J.H. Schumacher, werkzaam bij het Medisch Advies Kollektief in Amsterdam, schreef op verzoek van mr. L. Steendijk, de advocate van weduwnaar Jean Muluta. De vertrouwensarts komt tot de conclusie dat aan de asielzoekster ovoldoende medische zorg is verleend. Eerdere rapporten van de Geneeskundige Inspectie en de Rijksrecherche lieten de schuldvraag onbeantwoord.

Mevrouw Muluta kwam op 9 april ziek en 31 weken zwanger vanuit Libië naar Schiphol. Omdat haar doorreisvisum niet in orde was, kon ze niet verder reizen naar haar eindbestemming Kopenhagen. Daarom vroeg ze hier asiel aan. Volgens het rapport van Schumacher was er geen "laagdrempelige medische hulp' op de luchthaven. Wegens de veiligheidssituatie in de transithal, waar de familie Muluta vier dagen verbleef, kon het gezin de medische dienst van Schiphol niet bereiken.

Van 13 tot en met 22 april verbleef mevrouw Muluta in het Grenshospitium. Dat ze hier alle dagen op bed lag werd niet als alarmerend gezien. Een urine-onderzoek met een sterk afwijkende uitslag werd inadequaat behandeld met vitamine-C. Het enige Nederlandse woord dat Jean Muluta zich van het Grenshospitium herinnert is "kinderaspirientje'. Er was tevens bloedonderzoek geïndiceerd, maar dat werd niet verricht. Schumacher bekritiseert dat verpleegkundigen, en niet een arts, in het Grenshospitium beslissen over verder onderzoek van een patiënt

Terwijl zij niet meer op eigen kracht kon lopen, arriveerde mevrouw Muluta op 22 april in opvangcentrum Nijeveen, nabij Meppel. Wederom was een verpleegkundige de spil van de medische dienst. Het onderzoek hier had moeten leiden tot een spoedconsult bij een arts. In werkelijkheid werd een huisarts een dag later gevraagd een zwangerschapscontrole te verrichten. Deze arts regelde terstond een opname in het ziekenhuis.

De artsen in het opvangcentrum en het Grenshospitium hebben er volgens Schumacher ernstig toe bijgedragen dat mevrouw Muluta in een steeds slechtere conditie geraakte, hoewel haar problemen voor een ervaren medicus makkelijk herkenbaar moeten zijn geweest. De medische opvang en uitrusting in Grenshospitium en opvangcentrum was "minimaal en ontoereikend'.

Zowel in het Grenshospitium, als in het opvangcentrum Nijeveen en in het ziekenhuis zijn cruciale fouten gemaakt, volgens Schumacher. In het ziekenhuis liet ondermeer een uitslag van een herhalingsonderzoek naar het bloed van mevrouw Muluta een uur op zich wachten. De uitslag had na vijftien minuten bekend kunnen zijn. Opname op de intensive care was geboden wegens een extreem laag hemoglobinegehalte, aldus het rapport. Deze opname bleef achterwege. Anderhalf uur na aankomst in het ziekenhuis werd de patiënte een glucose/zout-infuus gegeven zonder dat bekend was hoe de mineralen in het bloed zich verhielden. Aan het infuus werden na anderhalf uur rode bloedlichaampjes (packed cells) toegevoegd. Dit leidde, volgens het rapport, tot "een volledige decompensatie van het hart'. De diagnose hyperventilatie door een (onbevoegde) fysiotherapeut had niet gesteld mogen worden. Mevrouw Muluta had in werkelijkheid last van kortademigheid door longoedeem.

Regionaal inspecteur voor de volksgezondheid W.J. Spiers onderzocht de gang van zaken omtrent de dood van mevrouw Muluta in opdracht van het ministerie van WVC. Hij betwist Schumachers conclusie dat mevrouw Muluta is overleden aan een verkeerd infuusbeleid. “Naar Nederlandse maatstaven is er adequaat gehandeld, ook al heeft de gynaecoloog geen tweede mening gevraagd. De gynaecoloog werd geconfronteerd met een in Nederland zeer zeldzaam ziektebeeld.” Hij vindt dat Schumacher het medisch handelen in het ziekenhuis van Meppel “teveel onder een vergrootglas heeft gelegd” en dat er “te makkelijk achteraf geoordeeld wordt.”

De arts in Nijeveen heeft volgens Schumacher de medische gegevens van mevrouw Muluta pas na haar dood genoteerd. Als dit waar is, heeft deze arts laakbaar gehandeld, aldus Spiers. Maar hij acht het in de hele gang van zaken een te gering detail om het onderzoek voor te heropenen. Wel stelt hij dat er “sprake is van een grote spanning tussen de justitiële-medische opvang en de reguliere medische opvang van asielzoekers. In het Grenshospitium heeft geen routinematige screening plaatsgevonden van mevrouw Muluta, zoals gebruikelijk bij zwangeren in de reguliere gezondheidszorg.” Spiers zou het zinvol achten dat er mensen met tropenervaring in het asielzoekerscentrum zouden werken.

Directeur algemene zaken van het ziekenhuis in Meppel, R.L. Hoornstra, zegt het rapport van Schumacher nog niet te hebben gezien.

    • Davy de Stoppelaar