Aandacht voor een veertje, een vijgeschil en een horzel; Jeugdboek van Italo Calvino voor volwassenen

Italo Calvino: Marcovaldo. Vert.Linda Pennings. Uitg. Bert Bakker, 124 blz. Prijs ƒ 27,90

In de naslagwerken die ik erover het geraadpleegd, staat Italo Calvino's verhalenbundel Marcovaldo vermeld als jeugdboek, als beroemd jeugdboek zelfs.

Inderdaad is de eerste uitgave, uit 1963, voorzien van plaatjes en nog steeds zijn er gellustreerde versies voor kinderen in de handel, maar ook geannoteerde schooluitgaven, en minstens twee edities waarin niets erop wijst dat het een jeugdboek betreft.

Dat laatste geldt ook voor de onlangs verschenen, goed leesbare, Nederlandse vertaling van Linda Pennings.

Wie het boek in deze versie begint te lezen, zal zich misschien niet goed kunnen voorstellen dat het ook een kinderboek is. De verteltrant is weliswaar simpel, en dieren en planten treden een enkele keer op als denkende wezens, maar de hoofdpersoon is een man, met vrouw en kinderen, en een baan als magazijnbediende. Zijn problemen zijn, vooral in de eerste verhalen, in hoofdzaak problemen van volwassenen.

Marcovaldo is een bundel van twintig verhalen die zijn gerangschikt naar de seizoenen, vijfmaal een verhaal uit de lente, uit de zomer, uit de herfst en uit de winter. Vijf jaren, die zich bij Calvino overigens hebben uitgestrekt over elf jaar: hij schreef ze tussen 1952 en 1963. In elk verhaal gaat hij uit van een alledaagse situatie waarin Marcovaldo, een ongeschoolde arbeider, verkeert in een grauwe Noorditaliaanse industriestad. Maar in die situatie vangt hij een glimp op van de natuur, van het jaargetijde: paddestoelen bij een tramhalte, een zwerm vogels, een wolk. Die glimp doet hem verlangen naar wat hij zich voorstelt van de Natuur. Het loopt steevast uit op een desillusie. In die vrije natuur, in de frisse lucht, bevindt zich een sanatorium; een van Marcovaldo's bleekneusjes mag in de boerderij met melkbussen sjouwen tot hij erbij neervalt. De paddestoelen bij de tramhalte, de vis die hij op een prachtige stek vangt, het konijn dat hij meeneemt uit het ziekenhuislaboratorium, ze blijken allemaal giftig.

Bij Marcovaldo's vergeefse terugtocht naar de natuur gaat zijn fantasie - en de fantasie van de schrijver - met hem op de loop, het verhaal ontwikkelt zich van realistisch naar absurdistisch doordat de situatie waarin Marcovaldo zich bevindt, uit de hand loopt en tot in het krankzinnige wordt doorgedreven.

Wie is Marcovaldo? In het eerste verhaal staat te lezen dat hij iemand was die geen oog had voor het stadsleven: “... borden, stoplichten, etalages, lichtreclames, affiches, hoe goed ook ontworpen om de aandacht te trekken, wisten nooit zijn blik te vangen, die leek te dwalen over de zandvlaktes van de woestijn. Maar een blad dat aan een tak vergeelde, of een veertje dat aan een dakpan zat gekleefd, ontging hem nooit: er was geen horzel op de rug van een paard, geen wormgaatje in een tafelblad, geen platgetrapte vijgeschil op het trottoir, of Marcovaldo zag het, sloeg aan het redeneren en ontdekte iets van de wisselingen van de seizoenen, van de verlangens van zijn ziel en de ellende van zijn bestaan.”

Hij doet enigszins denken aan die andere observerende tobber Palomar, naar wie Calvino zijn verhalenbundel uit 1983 heeft genoemd, de man die kijkt en kijkt en probeert te verwerken wat hij ziet. Wat bij hem leidt tot duizelingwekkende gedachtenkronkels. Palomar is een denker, en zijn gedachten leiden naar een afgrond. Marcovaldo is een dromer, die zich door zijn verbeelding laat optillen tot grote hoogten, soms letterlijk doordat hij verdwalend in de mist in een vliegtuig terechtkomt. Hij leeft ook in een andere tijd, hij is een arbeider, een magazijnbediende bij de firma SBAV. Wat SBAV betekent, wordt niet uitgelegd, wat voor artikelen Marcovaldo daar moet inpakken en inladen, wordt ook niet uitgelegd, het gaat om de firma, het artikel, de industriestad. Om de arbeider.

Stripboek

Bij het lezen van deze korte verhalen moest ik denken aan die korte stripverhaaltjes die in dezelfde periode in de kranten verschenen, Simpelman en vooral Ferd'nand. Ook bij hen het schema van een alledaagse situatie waarin de held verandering tracht aan te brengen, met min of meer ongelukkige afloop. Marcovaldo is even schematisch en tegelijk even aandoenlijk als een stripfiguur, een simpele ziel, een sympathieke mislukkeling, grappig en aandoenlijk, telkens opnieuw vervuld van optimisme. Een stripboek, dus toch voor kinderen? Maar er bestaat geen genre dat zozeer voor alle leeftijden is als dit soort strips.

“Kinderboek? Jeugdboek? Boek voor grote mensen? We hebben gezien dat al deze lagen voortdurend verweven zijn”, schrijft Calvino zelf in zijn "serieuze en enigszins saaie voorwoord' bij de uitgave voor middelbare scholen. Een curieuze uitgave, door de schrijver zelf voorzien van een soort gebruiksaanwijzing en van voetnoten waarin hij bij voorbeeld uitlegt wat hooikoorts is, wat sporen van paddestoelen zijn, en horzels, maar ook waarom "de Auteur' een bepaald woord gebruikt en niet een ander.

De eerste verhalen spelen inderdaad in de jaren vijftig, de laatste in de jaren zestig. De eerste hebben soms nog iets nostalgisch, een wijkagent 's nachts op de fiets, echte arbeiders, nachtelijke vuilnismannen, straatvegers, ziekenfondsboekjes, lunchtrommeltjes. Ze hebben de sfeer van neorealistische films. Maar geleidelijk worden de verhalen grimmiger. Terwijl Marcovaldo arm blijft en diep in de schulden steekt - al verwerft hij intussen een brommer en later zelfs een motorbakfiets - ontwikkelt de maatschappij om hem heen zich tot de zogeheten consumptiemaatschappij, met steeds meer dure winkels, reclameborden, neon, folders, onroerend-goed-speculanten, geknoei met levensmiddelen. Aandoenlijk is het verhaal waarin Marcovaldo en zijn vrouw en kinderen - alleen maar om te kijken - in een supermarkt rondrijden, niet al die uitgestalde verleidingen kunnen weerstaan, en zich met hun gevulde winkelwagentjes hopeloos in de nesten werken.

De opbouw van de verhalen mag simpel, schematisch zijn, stilistisch is Marcovaldo zeker niet kinderachtig. In zijn toelichting bij de Italiaanse uitgave schrijft Calvino dat hij zich ervan bewust is dat kinderen niet van beschrijvingen houden. Maar hier gaat het om beschrijvingen die getuigen van nauwgezette observatie, beschrijvingen die in het verhaal een noodzakelijke functie vervullen en werkelijk indruk maken. Deze verhalen zouden zonder die beschrijvingen in veel gevallen hun betekenis verliezen: zij laten het contrast zien tussen de natuur en het leven in de stad. Zo laat hij de maan contrasteren met een neonverlichting die om de twintig seconden aan en uit gaat. Of met een knipperend stoplicht: “De maan met haar mysterieuze bleekheid, geel, maar in wezen groen en ook blauw, en het stoplicht met zijn ordinaire kleur geel. De maan een en al rust, haar licht uitstralend zonder enige haast, nu en dan dooraderd met dunne wolkenflarden die ze majestueus om haar schouders liet vallen; en het stoplicht dat maar steeds aan- en uitging, moeizaam, met een geveinsde levendigheid, vermoeid en slaafs.”

Wat in 1963 voor Italiaanse kinderen werd geschreven, is hopelijk niet te moeilijk voor de Nederlandse lezer van nu, zelfs niet voor de luie lezer van nu, die een echt grotemensenboek al heel gauw te ingewikkeld vindt. Voor zulke lezers, maar niet alleen voor hen, komt dit boek als geroepen, bijna dertig jaar na dato.

Het doet er inderdaad niet toe of Marcovaldo al dan niet een jeugdboek is. Het is een soms vermakelijke, soms grimmige, soms ontroerende en in alle simpelheid indrukwekkende verzameling verhalen voor alle leeftijden.

    • Anton Haakman