Waarom eten we gifpiepers

Is de Bildtstar net als Bintje en Eigenheimer een Gifpieper? Over die vraag vechten Milieubeschermers en Zeeuwse boeren deze week een kort geding uit voor de rechtbank in Amsterdam. De uitslag volgt op 10 december.

Vaststaat dat de aardappelboer een grootverbruiker is van chemische bestrijdingsmiddelen. Alleen al aan grondontsmetters wordt jaarlijks zo'n 4 tot 5 miljoen kilo actieve stof gebruikt, vooral dichloorpropeen, aldicarb en metamnatrium). Dat gebeurt ter bestrijding van de zeer schadelijke aardappelcystenaaltjes (Globodera rostochiensis en G. pallida). Deze minuscule bodembewonende wormpjes zorgen voor aardappelmoeheid: kale "valplekken' in het veld waar de planten niet of nauwelijks meer willen groeien.

Daarnaast wordt zo'n 1,5 miljoen kilo actieve stof aan schimmeldodende middelen, merendeels op tin-basis, gebruikt tegen de aardappelziekte, veroorzaakt door de schimmel Phytophthora infestans.

Phytophthora betekent zoiets als de "plantenverslinder' en die naam is heel toepasselijk. Duikt deze schimmel in het gewas op dan blijft daar binnen een paar dagen tot weken niets meer van over. Toen de schimmel in 1845 voor het eerst vanuit Mexico in Europa opdook, leidde dat in Ierland tot een catastrofale mislukking van de aardappeloogst, waarbij een miljoen Ieren verhongerden. Bestrijdingsmiddelenfabrikanten houden deze herinnering levend zoals Rijkswaterstaat de dijkdoorbraak in Zeeland.

De moderne boer tracht het allereerste begin van deze schimmelziekte uit te bannen door er bij voorbaat consequent tegen te spuiten, vrijwel elke week, zo'n 12 tot 15 maal per groeiseizoen. Gebruikte middelen zijn fentin, en dithiocarbamaten als maneb en zineb.

In de praktijk valt de oogst daarmee doorgaans aardig veilig te stellen - hoewel dat deze zomer tegenviel. Zolang de middelen beschikbaar zijn geven de boeren er de voorkeur aan om te spuiten, omdat dat bedrijfszekerder is dan het gebruik van (gedeeltelijk) resistente rassen, waarvan de resistentie vaak in een ommezien doorbroken is door het optreden van nieuwe schimmelstammen.

Genetische basis

Oorspronkelijk werden maar enkele kistjes met aardappelknollen uit de Nieuwe Wereld aangevoerd, daardoor hebben de moderne aardappelrassen een nogal smalle genetische basis. Om daar verandering in te brengen hebben veredelaars vanaf de jaren dertig alle mogelijke wilde en halfwilde verwanten aangesleept om ermee te kruisen. In totaal zijn 11 zogenaamde R-genen opgespoord, major genes, die volledige resistentie tegen Phytophthora bieden.

Inmiddels zijn die resistentiegenen allemaal doorbroken. Want als de schimmel zich eenmaal in het aardappelveld genesteld heeft, produceert hij daar in de loop van de zomer zo'n ontzaglijke massa sporen dat daar altijd wel een toevallige mutant bij is die raad weet met het door de veredelaar ingekruiste resistentie-gen, ook al is de kans op het ontstaan van zo'n mutante schimmelspore misschien maar één op een miljoen. Veredelaars hebben hun hoop nu gevestigd op minor genes, groepjes genen die geen volledige maar wel een partiële resistentie tegen schimmelziekten bieden. Dan treedt de eerste infectie wat later op en breidt de ziekte zich wat langzamer uit. Men werkt ondermeer met Solanum microdontum, S. vernei en S. barthaulii.

Lastig

""Maar zulke kruisingsprogramma's zijn bewerkelijk en tijdrovend'' zegt ir. Leontine Colon van het DLO-Centrum voor Plantenveredeling en Reproductieonderzoek in Wageningen. ""Die halfwilde aardappels zijn lastig. Ze rijpen laat af, in oktober hebben ze nog geen knollen, en zijn afgestemd op een ander daglengteregime dan in ons land gebruikelijk.''

Probleem is ook dat de boer het zekere voor het onzekere neemt en deze rassen net zo hard bespuit als de volledig vatbare, voor de veredelaar valt er dus niet veel eer aan te behalen. Bovendien blijft door het massaal verbouwen van vatbare rassen als Bintje de ziektedruk in het veld hoog en daardoor staan de partieel resistente rassen nogal onder druk. ""Zolang er zulke vatbare rassen worden verbouwd kunnen de wat resistentere rassen geen kant op'', verzucht Colon.

Bildtstar, een vrij modern ras dat in 1981 kwekersrechten kreeg, is net als zijn antieke collega's Bintje en Eigenheimer van rond de eeuwwisseling razend vatbaar voor Phytophthora. Daar staat tegenover dat Bildtstar wèl een zekere mate van resistentie tegen aardappelmoeheid bezit en dan met name tegen pathotype A, in de praktijk de meest voorkomende aaltjesvariant. In dat opzicht is het ras dus wel degelijk een stukje milieuvriendelijker dan de andere aangeklaagde "gifpiepers'. Milieudefensie noemt dat "een zwaktebod'. Want met een ruime vruchtwisseling hoeft aardappelmoeheid helemaal geen groot probleem te zijn.

Een echt milieuvriendelijke aardappel, die in de biologische landbouw wordt geteeld, maar die je weinig in de gewone winkels ziet, is het ras "Escort'. Daarnaast heeft Milieudefensie nog een heel rijtje andere rassen die gunstig zijn: Santé, Doré, Accent, Nicola, Agrica en Irene. ""Best mogelijk dat die, omringd door vatbare gifpiepers, in de praktijk toch flink gespoten worden, uit voorzorg'', zegt een woordvoerster, ""maar daarom pleiten wij er nou juist zo voor om die vatbare rassen te laten liggen.''

Helaas laat de verwerkingskwaliteit van resistentere rassen soms te wensen over. Bintje is een ideaal ras om patat, chips enzovoorts van te maken, dus alle machines staan afgesteld op Bintje. Als alternatief zou men misschien wel tien verschillende rassen moeten verwerken, met verschillende schildiktes en andere knolmaten. Voorlopig vinden fabrikanten dat alleen maar lastig.