Voor het MAVO kies je niet, je komt er terecht

Het Middelbaar Algemeen Vormend Onderwijs is nu nog de grootste schoolsoort, maar het leerlingental daalt sterk. Bovendien heeft de school kleur en aanzien verloren. Kan de MAVOmoderner?

Ingespannen werkt Dick (12) aan een potlood-schets van een vijver met rotspartijen. Met tekenen is hij de beste van de klas. Later wil hij dan ook ""iets met tekenen'' doen. Waarom hij op de MAVO zit? ""Ik wilde wel hoger, maar dat kon ik niet.'' Mariska, die naast hem werkt aan een soortgelijke vijver, wil kraamverzorgster worden. Op school gaat het goed, zegt ze, behalve met Engels en Nederlands. Daarom krijgt ze elke woensdagochtend bijles.

Als even later de bel gaat, stromen de leerlingen van de MAVO St. Jan in Oss de aula binnen. Waar vier jaar geleden de fraters van Oss naar de mis gingen, eten nu de scholieren hun van huis meegebrachte boterhammen. In 1988 is de school, die het groeiend aantal leerlingen niet meer kon herbergen, uitgeweken naar het vroegere internaat van de fraters. De kapel werd aula.

Vier jaar geleden was de St. Jan-school, met 780 leerlingen, de grootste MAVO van Nederland, nu telt de school nog maar 480 leerlingen. Behalve door de geboortedaling verliest de school jaarlijks ongeveer veertig leerlingen aan scholengemeenschappen, vertelt rector J.J.W.M. Ras. ""Ouders sturen hun kinderen liever naar een scholengemeenschap met HAVO en VWO in de hoop dat ze toch hoger gaan.''

Dat is jammer, vindt Ras, want op een zelfstandige school wordt het onderwijs toegespitst op de MAVO-leerling, die intensieve begeleiding nodig heeft. De school biedt huiswerkbegeleiding aan, "remedial teaching' voor leerlingen met faalangst of taalproblemen, en extra vakgerichte lessen voor leerlingen zoals Mariska, die met een vak niet meekomen.

Eigen geluid

De St. Jan is een van de zestien zelfstandige MAVO's die zich onlangs aaneensloten uit bezorgdheid dat het schooltype verdwijnt in brede scholengemeenschappen. ""Het wordt echt tijd dat we een eigen geluid laten horen'', aldus een van hun pamfletten. ""Wordt er nu eindelijk eens gewezen op de kracht en de waarde van de categoriale MAVO?''

De zestien scholen reageren op hun manier op de "crisis' van het MAVO- onderwijs. Het aantal leerlingen daalt drastisch: in 1987 waren er nog ruim 250.000, nu ruim 200.OOO. Ter vergelijking: het aantal VWO-leerlingen daalde in dezelfde periode van 170.000 naar 160.000. Van de 410 nog bestaande zelfstandige MAVO-scholen moet ten minste de helft sluiten omdat ze onder de opheffingsnorm van 240 leerlingen vallen die het ministerie van onderwijs heeft gesteld. En ook de "typische MAVO-leerling' verdwijnt: aan de bovenkant wordt de school afgeroomd door het HAVO, aan de onderkant is de school breder geworden door de instroom van leerlingen uit het lager beroepsonderwijs.

Bovendien heeft het schooltype kleur en aanzien verloren. Leerlingen maken geen positieve keuze voor het MAVO. Ze komen er terecht. Bijvoorbeeld omdat ze, zoals Dick, ""niet hoger kunnen''. Of, zoals Edwin uit groep vier van de scholengemeenschap Het Loo in Voorburg het uitdrukt: ""Ik was te goed voor het beroepsonderwijs en niet goed genoeg voor het HAVO.''

Een ander probleem is de aansluiting met het Middelbaar Beroepsonderwijs. Veel leerlingen mislukken in deze vervolgstudie, waar zeventig procent van hen heengaat. Het uitvalpercentage is hoog: 36 procent. Volgens critici sluit het lesprogramma niet aan op het beroepsonderwijs; het zou te veel mikken op de modale leerling die met een extra steuntje het "Walhalla' van HAVO-vier kan bereiken. Uiteindelijk komt slechts zeventien procent daar terecht.

Van oudsher heeft dit schooltype een hechte organisatie. Zo had het MAVO tot 1968 eigen vakbonden en eigen (MULO)-eindexamens, opgesteld door de verenigingen van onderwijzers. Ook nu nog is de saamhorigheid groot. Begin oktober werd een landelijke dag georganiseerd, waarop directeuren en docenten pleitten voor een heropleving van de MAVO-gedachte. Driehonderd belangstellenden meldden zich aan - meer dan in de gehuurde zaal konden. Half november volgde daarom een tweede bijeenkomst.

Op de conferenties bleek dat er enerzijds scholen zijn zoals de St. Jan in Oss, die vasthouden aan de oude formule van kleinschaligheid en intensieve begeleiding. Andere gaan op in brede scholengemeenschappen en grijpen dat moment aan om hun programma te richten op het MBO, door bijvoorbeeld meer praktijkvakken te geven.

Geen toekomst

Er zijn ook geluiden om het schooltype maar helemaal af te schaffen.

""De MAVO heeft geen toekomst meer'', meent dr. Th. Hoogbergen, ex-rector van een scholengemeenschap. ""Niet alleen zullen de zelfstandige scholen verdwijnen, ook het MAVO als schoolsoort gaat ten onder, aan zijn eigen emancipatorisch succes.'' De voorloper van het schooltype, het Uitgebreid Lager Onderwijs (in 1857 voor het eerst genoemd in de Wet op het lager onderwijs), bestond uit kopklassen na de lagere school. Hoogbergen: ""Het waren de vitaalste onderwijzers die de extra actes haalden om op het ULO les te geven. Hun emancipatorische verheffingsdrang droegen ze over op de leerlingen.''

ULO-scholen verspreidden zich over het hele land. Vooral na 1920 nam het aantal leerlingen snel toe. In 1940 waren er bijna achthonderd scholen met ruim honderdduizend leerlingen, in 1965 telden bijna dertienhonderd scholen 275.000 leerlingen. Met de invoering van de Mammoetwet in 1968, werd de onderwijssoort omgedoopt tot MAVO, sindsdien gerekend tot het voortgezet onderwijs.

Het ging vrijwel meteen mis, meent Hoogbergen. ""Sinds 1968 komt de MAVO niet meer mee. De emancipatorische betekenis is overgenomen door HAVO en VWO. Het is een restschool geworden, net als het lager beroepsonderwijs. Als reactie daarop is de begeleiding veel intensiever geworden.'' De strenge conclusie van Hoogbergen is dat de MAVO een tussenschool is geworden voor wie eigenlijk anders wil, maar (nog) niet kan. Of voor wie naar een andere, "lagere', school zou moeten maar dat vooral niet wil.

""We houden onze leerlingen inderdaad veel bij de hand'', zegt A.J. Wijnmaalen, directeur van de MAVO Mariahoeve in Den Haag. ""Dat is een van de redenen waarom ze mislukken in het Middelbaar Beroepsonderwijs, waar de begeleiding minder intensief is.'' Ook geschiedenisleraar H. van Kempen merkt dat hij zijn leerlingen ""veel moet voorkauwen''. ""Anders gaat het mis. Een vak als geschiedenis wordt ook gevolgd door de leerling die naar de MTS wil en eigenlijk niet weet wat hij moet kiezen.''

Nieuwe stijl

De school waar Van Kempen lesgeeft, het interconfessioneel college Het Loo in Voorburg, heeft plannen voor een "re-styling'. Volgend schooljaar fuseert de scholengemeenschap met de zelfstandige MAVO Mariahoeve en de Vlietschool Voorburg voor voorbereidend beroepsonderwijs. MAVO-leerlingen kunnen na de fusie kiezen voor een regulier pakket of voor een eindexamen met ook vakken uit het voorbereidend beroepsonderwijs. Een leerling die naar de MTS wil, kan dan elektrotechniek kiezen in plaats van geschiedenis. De school sluit hiermee aan bij een brief die staatssecretaris Wallage deze zomer stuurde aan de Tweede Kamer met voorstellen voor een diploma dat MAVO-elementen combineert met vakken die voorbereiden op het beroepsonderwijs.

""Als je meer beroepsgerichte vakken aanbiedt, werk je aan een betere doorstroming naar het MBO'', aldus Wijnmaalen. ""Bovendien is het motiverender voor de leerling.'' Zijn school was tot fuseren gedwongen omdat deze, met 139 leerlingen, onder de opheffingsnorm belandde. Wijnmaalen is blij met de fusie: ""We behouden het knusse en het kleinschalige, omdat we in ons eigen gebouw kunnen blijven als nevenvestiging van Het Loo. Daarnaast kunnen we de leerlingen iets extra's bieden.''

Edwin, die na zijn eindexamen doorgaat naar de zeevaartsschool, vindt het nieuwe programma een goed idee - al komt het voor hem te laat. ""Je kunt voortaan kiezen wat je echt nodig hebt.'' Bram (17) heeft in de zes jaar dat hij op de MAVO Mariahoeve zit, van geen enkel vak het nut ingezien. Hij wil de beveiliging in en ""daarvoor is geen enkel vak vereist''. Ook zijn klasgenote Judith (15) vindt de meeste vakken ronduit saai. ""Als ik in de klas zit, kijk ik om me heen en denk: "wat doe ik hier?' '' Het liefst zou ze direct gaan werken, ""maar zonder diploma willen ze je niet meer zodra je wat ouder en te duur wordt''. Na haar eindexamen wil ze een tweejarige opleiding volgen in het middelbaar beroepsonderwijs. En dan zo snel mogelijk een baan.