Vissen naar mammoeten

"Wat een enorme collectie fossielen, voor zo'n klein land', riep een verbaasde Russische geleerde vorige week in het VPRO-programma Noorderlicht gewijd aan de IJstijden. Deze rijkdom aan fossielen dankt het Nationale Natuurhistorisch museum in Leiden aan de sleepnetvisserij. Over de zeebodem liepen eens mammoeten door een gebied dat nu Noordzee en Noordduitse laagvlakte heet. Meer dan elf duizend jaar geleden was hier een uitgestrekte toendra.

Nu worden de botten van deze prehistorische dieren op de zeebodem gevonden. Ze liggen in concentraties in de buurt van verhogingen zoals de Bruine Bank tussen IJmuiden en Lowestoft. De suggestie dat dit kerkhoven zouden zijn van dieren die zijn gevlucht voor het aanstormende zeewater is onwaar. Catastrofes als onderdeel van het evolutieproces zijn weliswaar weer in de mode, maar het beeld van bijeengedreven prehistorische mammoeten op de Doggersbank is beslist onjuist.

De opgeviste botten vormen een ratjetoe van tientallen zoogdiersoorten over een periode die zich uitstrekt over 800.000 jaar, waarin het klimaat vele malen wisselde. Naast mammoetresten liggen er overblijfselen van wolharige neushoorns, paarden, steppewisenten, hyena's, holenberen en nog veel meer. De fossielen liggen sterk verspreid, want tijdens een sleepnettrek van twee uur is de oogst over enkele kilometers zeebodem meestal maar een enkel bot, bepaald geen kerkhof. Een week vissen, met twee netten in een gebied dat rijk is aan fossielen levert een volle vissersmand. Zo'n mand brengt soms meer op dan een mand vis. Vooral mammoetkiezen zijn gewild.

De mammoet is in het nieuws door het verschijnen van het boek "De Mammoet' van Dick Mol en Hans van Essen. Het boek werd afgelopen zaterdag in het Haagse Museon aangeboden aan de Russische paleontoloog Andrej V. Sher van het Severtsov instituut van de Russische Academie van Wetenschappen te Moskou. In dit boek is alles te vinden wat men zou willen weten over mammoeten in Nederland, of ze nu in de Noordzee zijn opgevist of op het land zijn opgegraven, zoals vorig jaar in Drenthe. Het boek geeft verder een overzicht van de belangrijkste collecties in en buiten Europa.

Opmerkelijk is dat de auteurs liefhebbers zijn, geen professionele paleontologen. Mol is douanier en Van Essen is afgestudeerd als germanist. Dit is des te opmerkelijker omdat bij dezelfde gelegenheid de vakpaleontoloog Sondaar een kinderboek presenteerde: "Toetoe en de kleine Mammoet'.

Sher geeft een week lang gastcolleges over zijn onderzoek in de Kolymavlakte in NO-Siberië. In dit gebied snijden rivieren zich door de permafrostbodem. Sher toont dia's van rivieroevers die werkelijk bezaaid zijn met grote mammoetbotten, maar ook resten van muskusossen, steppewisenten en paarden.

Zijn onderzoek richt zich echter niet alleen op deze spectaculaire grote dieren, maar op de hele IJstijdfauna. Kleine dieren zoals lemmingen en insekten, waarvan de men resten kan peuteren uit gemakkelijk te dateren lagen, geven een veel nauwkeuriger beeld van wat zich daar afspeelde de afgelopen 1,2 miljoen jaar.

Hoewel de fauna op het eerste gezicht veel lijkt op de fauna van de Noordzeetoendra's, is dit gebied zeer verschillend. Het ligt boven de Poolcirkel maar desondanks heeft zich daar volgens Sher nooit landijs gevormd. Dat komt omdat de aanvoer van vochtige lucht werd tegengehouden door noord-zuid lopende bergruggen zoals de Verkhojansketen.

Hier lag een corridor in het landijs als een koude, droge steppe. De insektenfauna van het gebied leek op de huidige fauna van koude steppen in Mongolië. De wolharige mammoeten leefden daar vooral van grassen. Er waren korte zomers en de sneeuwbedekking was weliswaar langdurig, maar niet hoog. Daardoor was er geen voorjaar of najaar; grazige vlakten werden na de zomer snel overdekt met sneeuw zonder te verdorren. De grote grazers konden 's winters gemakkelijk aan voedsel komen.

"In zekere zin', zegt Andrej Sher, "was het klimaat daar stabieler in het Pleistoceen dan nu.' Maar onmiddellijk relativeert hij dat door te wijzen op vochtige warme perioden en de vondsten van nijlpaardfossielen.

Naar huidige inzichten ontwikkelde de wolharige mammoet (Mammuthus primigenius) zich uit de zuidelijke mammoet (Mammuthus meridionalis). Dit dier stamde af van olifantesoorten die toen in Noord-Afrika leefden. Bij doorvragen over de ontwikkeling van de wolharige mammoet uit deze zuidelijke mammoet, blijkt nog veel onzeker. Het onderzoek in Siberië zou de huidige inzichten over de ontwikkeling en verspreiding van de wolharige mammoet wel eens kunnen veranderen. Over de rol van een tussenvorm, de steppemammoet (Mammuthus trogontherii) hebben Sher en de Mol in elk geval verschillende ideeën. Zeker is dat de wolharige mammoet zich in Siberië vrij snel ontwikkelde gedurende het Laat Pleistoceen (50.000 jaar geleden) en daar ook heel lang is blijven leven. Hoe lang wil Sher niet precies zeggen omdat een artikel in Nature hierover nog niet verschenen is.

In het Haagse museon vertelde hij zijn gehoor dat mammoeten in Siberië nog leefden tijdens de eerste farao's. Dick Mol zegt dat de jongste mammoet uit Siberië 9730 jaar oud is. Wie meer wil weten, moet zeker het boek van Mol en Van Essen kopen en de komende weken Nature goed in de gaten houden.

D. Mol & H. van Essen. De mammoet, sporen uit de IJstijd. BZZTôH, 's-Gravenhage 1992., prijs ƒ 29,50.

Paul Sondaar. Toetoe, de kleine mammoet. Kluwer, 1992. Prijs ƒ 12,90.

    • Henrik de Nie