Verwantenhulp en de Mayflower

De traditie om jaarlijks "Thanksgiving-day' te vieren, zoals de inwoners van de Verenigde Staten dat vandaag doen, gaat terug tot het jaar 1621. De directe aanleiding tot het feest was de overvloedige oogst die een kleine groep kolonisten in New England had binnengehaald. Een dankzegging aan God leek op zijn plaats. Eindelijk toonde de Nieuwe Wereld een vriendelijk gezicht, en leek een bijzonder grimmige periode afgesloten.

Nadat James I in 1603 de Engelse troon bestegen had, werden alle religies die in strijd waren met de Kerk van Engeland verboden. Een christelijke, fundamentalistische groep die later de "Pilgrims-fathers' werd genoemd, kon als gevolg van het besluit van James I geen openbare gebedsdiensten meer houden. De Pilgrims werden door de overheid vervolgd, en moesten elkaar in het geheim ontmoeten. Dit werd als ondraaglijk ervaren, en men besloot daarom in 1608 naar het tolerante Holland uit te wijken. De groep vestigde zich in Leiden, en bleef daar twaalf jaar. Maar de kinderen groeiden op als Nederlanders, en men dreigde de eigen identiteit te verliezen. Opnieuw werd besloten te vertrekken. De keuze viel ditmaal op een volkomen onontgonnen en "onbedorven' gebied: Amerika.

Er waren reeds verschillende pogingen tot permanente vestigingen in de Nieuwe Wereld ondernomen, maar die waren alle mislukt. De Engelse regering realiseerde zich het belang van een vaste basis aan de andere kant van de oceaan, en was daarom bereid de expeditie van de Pilgrims te financieren. Nadat de groep eerst weer naar Engeland was vertrokken, zeilde het gezelschap in 1620 aan boord van de inmiddels legendarische "Mayflower' het nieuwe land tegemoet. Een jaar later was meer dan de helft van de opvarenden gestorven. Het idealisme van de groep had misschien geen gelijke tred gehouden met vakbekwaamheid en een grondige voorbereiding.

Over de doodsoorzaken is weinig bekend, maar deze moeten gezocht worden bij honger, longontsteking, kou en uitputting. De Pilgrims koesterden aanvankelijk een dodelijke angst voor de indianen, maar gevochten is er niet. Later in 1621 ontstonden er zelfs hartelijke relaties, en gaven de indianen adviezen en concrete hulp.

Experiment

De expeditie van de Pilgrims kan men achteraf bezien als een hardvochtig sociaal-wetenschappelijk experiment. Stuur een groep mensen waarvan leeftijd, sociale klasse, sekse en onderlinge verwachtschap bekend is naar een onherbergzaam en gevaarlijk oord, en registreer een jaar later wie gestorven is en wie niet. Analyseer vervolgens welke factoren de grootste invloed hadden op de kans op overleving.

Sociale klasse, sekse en onderlinge verwantschap zijn bekend van de opvarenden van de Mayflower. Van alle 103 opvarenden zijn de namen geregistreerd. Er waren 31 kinderen en 72 volwassen aan boord. Het merendeel van de volwassenen bestond uit Pilgrims, maar er waren ook gehuurde, specialistische handwerkslieden en knechten. Tenslotte is bekend wie eind 1621 nog in leven was. De opvarenden van de Mayflower vormen een haast ideale groep proefpersonen in een levensbedreigend, "natuurlijk' experiment.

Een van de factoren die de grootste invloed op de kans op overleving blijkt te hebben gehad, is leeftijd. 74 Procent van de kinderen overleefde het eerste jaar, tegen 37,5 procent van de volwassenen. Voor de overleving van een kind was de overleving van de ouders kennelijk essentieel: alle 15 kinderen met overlevende ouders bleven zelf ook leven, terwijl de helft van de 16 kinderen die in 1621 geen ouders meer hadden waren gestorven.

Men zou verwachten dat iets soortgelijks ook gevonden zou worden bij meesters en knechten. Bijvoorbeeld dat degenen met een knecht in dienst een grotere kans op overleving hadden dan degenen zonder knecht. Dit was echter niet het geval; of iemand een knecht had of niet, bleek de kans op overleving niet te benvloeden. De meester-knecht relatie lijkt in dit opzicht dus een geheel andere dan die tussen ouder en kind. Vrouwen hadden geen grotere kans om te sterven dan mannen, en ook sociale klasse had geen significante invloed. Getrouwden deelden elkaars lot. Als één van de twee stierf, dan stierven beiden. Naast leeftijd was verwantschap met andere overlevenden de factor die de grootste invloed had op de kans op overleving.

Evolutietheorie

In 1955 maakte de geneticus J.B.S. Haldane een opmerking die in vrijwel elk modern boek over de evolutie-theorie wordt aangehaald. Het is een grapje met een serieuze boodschap. Haldane zei dat hij zijn eigen leven zou opofferen, als hij daarmee drie van zijn broers, of negen van zijn neven of nichten zou kunnen redden. Een (volle) broer van Haldane heeft ongeveer de helft van de erfelijke eigenschappen of genen die Haldane zelf heeft. Drie van zijn broers hebben dus meer genen van Haldane dan hij zelf heeft. Volgens de evolutie-theorie gedragen levende organismen zich alsof zij hun eigen genen maximaal aan de volgende generaties willen doorgeven. Gesteld dat Haldane een even grote kans heeft om zijn genen door te geven als elk van zijn broers. Gesteld verder dat er zich een situatie voordoet waarin Haldane zijn drie broers van een wisse dood kan redden, door zijn eigen leven op te offeren. Volgens de evolutie-theorie zou hij dat dan inderdaad moeten doen, want dan geeft hij zijn eigen genen maximaal door. Hetzelfde geldt voor de neven of nichten van Haldane. Eén neef of nicht heeft 1/8 van het genetisch materiaal van Haldane. Hij behoort zich daarom op te offeren voor negen neven of nichten.

Onbaatzuchtig

Het lijkt een vergezochte grap, maar soortgelijke onbaatzuchtige opofferingen doen zich in werkelijkheid voor. Levende organismen zijn over het algemeen vooral in hun eigen welzijn genteresseerd, maar verwanten die zich voor elkaar opofferen zijn een gewoon verschijnsel. Vrouwtjes riskeren zeer vaak hun leven om de eigen jongen te beschermen. Sommige insekten zijn speciaal ontworpen om zich voor verwanten op te offeren. Het overbekende voorbeeld is de "werkster' van de honingbij, die met haar machtige angel duizenden malen zwaardere zoogdieren van de kolonie weg kan jagen, maar daarbij zelf het leven laat.

Hulp aan verwanten is meestal niet zo dramatisch als deze kamikaze-acties. Vaak kost het weinig moeite om hulp te verlenen, terwijl deze hulp voor de ontvanger van groot belang kan zijn. In de levensbedreigende situatie waarin de opvarenden van de Mayflower zich bevonden, kon verwacht worden dat verwanten elkaar hielpen. Bijvoorbeeld door bij de verdeling van het zeer schaarse voedsel gezamenlijk een blok te vormen tegenover de anderen, door spullen met elkaar te delen, etcetera. De onderzoekers van de gegevens van de Pilgrimfathers verwachtten daarom dat hoe meer iemand verwant was met andere opvarenden, des te groter de kans zou zijn dat diegene zou overleven. Anders gezegd: degenen zonder verwanten zouden de grootste kans hebben om te sterven. Dit werd inderdaad gevonden. Er was een bijna perfect lineair verband tussen verwantschap met de anderen, en de kans op overleving. Dus als u besluit te emigreren naar een verre en gevaarlijke streek, neem dan voor uw eigen welzijn wat familieleden mee.

McCullough, J.M. & York Barton, E. (1991). "Relatedness and mortality risk during a crisis year: Plymouth colony, 1620-1621'. Ethology and Sociobiology 12: 195-209.