Verslavingszorg heeft dringend behoefte aan een nieuwe visie

Veertig procent van de hulpverleners in de verslavingszorg vindt de werkbelasting te hoog, is ontevreden en wil het liefst een andere baan (NRC Handelsblad, 21 november 1992). Het verschijnsel wordt ook wel "burn-out' genoemd en komt al langer voor. Waarom zijn hulpverleners de verslavingszorg moe? Kunnen ze nog opgepept worden?

Dat ze moe zijn, is niet verwonderlijk. Het ontbreekt hen vaak aan scholing. In de jaren zestig ontleenden veel hulpverleners hun professionaliteit aan hun ervaring: ze hadden zelf hun verslaving overwonnen - en dat, zo dachten zij, was de beste leerschool.

Wat ook moe maakt, is dat de verslaafden veel lastiger zijn geworden: het gaat niet meer om jongeren die zich verzetten tegen hun ouders, maar om immigranten, illegalen, prostituées en psychiatrische patiënten. Een moeilijke groep om te helpen.

Toch wordt er af en toe succes geboekt. Na drie weken detoxificatie kan de verslaafde even zonder en krijgt ontslag. Maar na een maand of twee zit hij of zij weer tegenover de hulpverlener - voor een nieuwe intake. Ook dat maakt moedeloos.

Een andere baan dan maar? Geen kans. Welke werkgever zit te wachten op iemand met vijftien jaar ervaring in de verslavingszorg, maar zonder diploma's? Niet één - noch in de gezondheidszorg noch in andere vormen van hulpverlening.

De verslavingszorg is slachtoffer van zichzelf geworden. Door de verslaving als het centrale probleem te zien, wordt de verslavingszorg de vergaarbak van alle probleemgroepen. Of je nu tot de tweede generatie Marokkanen behoort of de gevolgen van een incest-verleden met je meedraagt, of je psychotisch bent of last hebt van een criminele inborst - het maakt niet uit: als je verslaafd bent, ga je naar de verslavingszorg.

Voor veel van deze groepen is het gebruik van drugs een manier om hun problemen het hoofd te bieden. En wat doet de verslavingszorg? In het beste geval haalt ze de verslaving weg, waardoor de latente problemen des te gemener de kop op steken.

De verslavingszorg is aan haar Copernicaanse wending toe: niet de verslaving dient uitgangspunt voor de behandeling te zijn, maar de achterliggende problematiek. Wie moet wennen aan zijn of haar nieuwe vaderland, krijgt maatschappelijke hulpverlening, wie worstelt met een incestdrama bezoekt de RIAGG, wie dingen ziet die er niet zijn, begeeft zich naar een psychiatrisch ziekenhuis en wie het stelen niet kan laten, stelle zich onder de hoede van de reclassering - verslaafd of niet.

De oplossing lijkt eenvoudig, maar de praktijk is hardleers: buiten de verslavingszorg wil men geen verslaafden. Maar er zijn lichtpunten: een aids-patiënt wordt in het ziekenhuis behandeld en ook al is de patiënt verslaafd, geen probleem: hij of zij krijgt methadon. Ook zwangere vrouwen die verslaafd zijn blijken gewoon in het ziekenhuis te kunnen worden behandeld. En het werkt.

Deze laatste ervaringen wijzen de richting voor een reorganisatie van de verslavingszorg. In plaats van een compleet hulpverleningspakket aan te bieden, zou men zich beter kunnen beperken tot het verrichten van uitgebreide diagnostiek. Op grond van observatie en sociaal-maatschappelijk, medisch, psychiatrisch en psychodiagnostisch onderzoek kan men de problemen inventariseren en vervolgens doorverwijzen naar maatschappelijk werk of de reguliere gezondheidszorg.

De verslavingszorg blijft dan bestaan als een soort Mobiele Eenheid die inspringt waar men verlegen zit om methadon, of om verslavingsdeskundigheid of om een detoxificatieprogramma. We krijgen dan bijvoorbeeld een RIAGG-team, een Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis, een Algemeen Maatschappelijk Werkteam, een Vrouwenteam en een Allochtonenteam, een Beschermd Wonenteam, en een Arbeidsbureauteam. Wie weet pept het de hulpverlener weer wat op.