Schoonmaaksector stemt morrend in met adempauze

ROTTERDAM, 26 NOV. Werkgevers en werknemers in de schoonmaakbranche leggen zich, zij het morrend, neer bij de "adempauze' in het CAO-overleg, waartoe de overkoepelende organisaties van werkgevers en werknemers twee weken geleden besloten.

De werkgevers wilden wel praten, maar dat werd hen door de centrale werkgeversorganisaties bijkans verboden. En de werknemers wilden graag praten (over andere zaken dan het loon), maar missen een gesprekspartner. “Nu de werkgevers weigeren, hebben we ons daar bij neer te leggen. Het past uiteindelijk in het centraal akkoord”, zegt bestuurder B. Roodhuizen van de Industriebond FNV.

“Dat centraal akkoord is heel leuk, maar het past slecht in het straatje van de schoonmaakbranche”, zegt secretaris mr. N. Davelaar van de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB). De tarieven in de schoonmaakcontracten mogen gewoonlijk één keer per jaar worden aangepast en dat gebeurt meestal per 1 januari. Vandaar dat de werkgevers graag vóór die datum willen weten met welke CAO-afspraken ze te maken krijgen.

Dat kan dit keer niet, omdat in het centraal akkoord een adempauze tot 1 maart is overeengekomen. “We hebben overwogen toch nu te onderhandelen, maar dat stuitte op massaal protest van onze opdrachtgevers, zeg maar de andere werkgevers”, aldus Davelaar.

Het resulteerde uiteindelijk in “een dringend beroep” van alle overkoepelende werkgeversorganisaties op hun leden om te accepteren dat in schoonmaakcontracten ook na 1 januari nog tariefaanpassingen worden doorgevoerd. Omdat dit appèl de overheid niet bereikt - ze is weliswaar de grootste opdrachtgever in de schoonmaakbranche, maar niet aangesloten bij een werkgeversorganisatie - heeft de OSB zich tot het ministerie van financiën gewend met het verzoek te bevorderen dat de schoonmaakbedrijven van overheidsopdrachtgevers eenzelfde coulante behandeling krijgen.

Hoe dit uitpakt is onzeker en dat komt de schoonmaakwerkgevers slecht uit. Na jaren van flinke groei - circa 30 procent over de afgelopen vijf jaar - vreest de branche de gevolgen van de actuele saneringsgolf in het bedrijfsleven. “Voor de meeste opdrachtgevers zijn we weliswaar geen sluitpost meer, maar we blijven wel een kwestbare activiteit. Als je ziet hoeveel banen er in de industrie op de tocht staan, dan kun je uittellen dat wij de gevolgen daarvan ook zullen merken”, zegt Davelaar.

De groei heeft ook de interesse van de vakbonden gewekt. “In grootte is de schoonmaak-CAO na de metaalnijverheid en de metaalindustrie onze derde CAO, maar we hadden er nooit veel belangstelling voor. Dat is pas de laatste jaren aan het verbeteren”, zegt Roodhuizen.

De bond wil de organisatiegraad in de schoonmaakbranche de komende jaren verdubbelen tot ongeveer 10 procent. Nu is nog geen 5 procent van de 160.000 werknemers (onder wie naar schatting 20 procent full-timers) lid van een vakbond; de meesten (ongeveer 6.000) van de Industriebond FNV.

Dat de schoonmaak-CAO desondanks steeds "algemeen verbindend' wordt verklaard voor de hele branche, ligt dan ook minder aan de representativiteit van de vakbonden dan aan die van de OSB, de enige werkgeversclub in deze sector. Van de ongeveer 4.500 schoonmaakbedrijven zijn er bijna 600 aangesloten bij de OSB. Zij nemen ongeveer 80 procent van de omzet (in 1990 in totaal ruim 3,4 miljard gulden) en bijna 70 procent van de werkgelegenheid in de branche voor hun rekening. De overige bedrijven vallen overwegend in de categorie "eenmanszaak', of zoals Davelaar zegt, “de pappa-en-mamma-bedrijven”. Op het informele circuit heeft de OSB geen zicht.

De groei van de afgelopen jeren stelde de branche in staat het niet bijsterbeste imago (met de campagne-slogan "Imago, je beste amigo') op te vijzelen en de dito arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Dat mocht ook wel, want de Staatscommissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid sprak vorig jaar nog een vernietigend oordeel uit over de CAO van 1991. Op alle voorgelegde punten (lonen, arbeidstijd, onderscheid tussen full- en part-timers) waren de collectieve regelingen in strijd met de wet.

In de CAO voor dit jaar zijn de meeste (indirect) discriminerende bepalingen gesneuveld, maar dat resulteerde tezamen met een loonsverhoging van 4 procent wel in een kostenstijging van bijna 10 procent. Dat deed de toch al niet florissante rendementspositie van de schoonmaakbedrijven geen goed, aldus Davelaar.

Over de naleving van de CAO zijn vakbonden en OSB niet ontevreden. Twee jaar geleden hebben ze samen de Raad voor arbeidsverhoudingen schoonmaak- en glazenwassersbranche (RAS) opgericht, die klachten over prijsontduiking en ander onoirbaar marktgedrag behandelt. “De RAS nagelt zo'n vijf tot tien keer per jaar een bedrijf aan de schandpaal, meestal omdat er wordt gerommeld met de afspraken over de vergoeding voor overwerk”, zegt Davelaar.