Rekenkamer: Rijk faalt bij toezicht fraudebestrijding

DEN HAAG, 26 NOV. Het toezicht van het Rijk op de bestrijding van fraude in de bijstand schiet tekort. De vijf regionale rijksconsulentschappen, die de gemeentelijke uitvoering van de bijstand controleren, opereren te veel op eigen houtje. Dit concludeert de Algemene Rekenkamer in een vanmorgen verschenen rapport.

Staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken en werkgelegenheid) noemde in een reactie vanmorgen de toonzetting van het Rekenkamerrapport “eenzijdig kritisch”. Ook liet ze weten dat inmiddels een aantal maatregelen is genomen om het toezicht te verbeteren.

Ter Veld schatte in 1990 het misbruik van de Algemene Bijstandswet, die wordt uitgevoerd door de gemeenten, op zes à zeven procent. Dat zou betekenen, schrijft de Rekenkamer, dat het zou gaan om een jaarlijks bedrag van 640 miljoen gulden. Een woordvoerder van Ter Veld liet vanmorgen weten dat de toenmalige schatting nog steeds overeind staat.

De Rekenkamer maakt niet duidelijk in welke mate een beter toezicht de fraude zou kunnen terugdringen. In Tweede-Kamerstukken uit 1986-1991 trof de Rekenkamer negen uitgangspunten van het Rijk voor het toezichtsbeleid aan. De Rekenkamer stelde vast dat de rijksconsulentschappen - waar circa tweehonderd mensen werken - de gemeenten op twee punten wèl controleerden maar op zeven punten doorgaans niet of nauwelijks.

De punten die volgens de Rekenkamer door de Rijksconsulenten worden verwaarloosd zijn onder meer de registratie van de fraude, de aangifte bij Justitie, de gegevensuitwisseling met de fiscus en de voorlichting over bestrijding van misbruik.

Het onderzoek van de Rekenkamer had betrekking op 1991 en de eerste helft van 1992. Zij verwijt Ter Veld dat zij de consulenten niet systematisch inlicht over haar beleid. Daardoor verschillen per regio de diepgang en aanpak van het toezicht. Terwijl de regio's Noord, Oost en Zuid-West in 1991 met het merendeel van de gemeenten een gesprek voerden over het te voeren overheidsbeleid, kwam dit onderwerp in de regio's Zuid en Noord-West slechts bij tien respecievelijk twaalf procent van de gesprekken ter sprake.

Ook stelt de Rekenkamer vast dat het ministerie met de bevindingen van de rijksconsulenten weinig doet. De beschikbare informatie wordt niet systematisch gebruikt om het beleid bij te stellen.