OVERZICHTSTENTOONSTELLING VAN ARNE JACOBSEN IN AMSTELVEEN; De genialiteit van de insektenstoel

Tentoonstelling Een grote Deen in Amstelveen. T/m 10 jan. Museum Van der Togt, Dorpsstraat 50, Amstelveen. Di t/m zo 11-17u.

Ze gedijen overal, de insektenstoelen van de Deense architect Arne Jacobsen (1902-1971). Ook in Nederland zijn ze wijdverbreid. Men vindt ze vooral in stationsrestauraties, bedrijfskantines, vergaderzalen en huiskamers. Bijna altijd gaat het dan om de "vlinderstoel', een kuipje van gebogen hout met kleine ronde vleugels op vier verchroomde stalen poten. Er bestaan ook andere varianten, met spitse vleugels, met leuningen of op wieltjes. Ze zijn allemaal afgeleid van de oerstoel, "de mier' uit 1952, die weliswaar anders dan het nijvere insekt, drie poten heeft maar wel een diep ingesnoerd lijf. Later, in 1959, breidde Arne Jacobsen de familie der beestenstoelen nog uit, met "de zwaan' en "het ei', geriefelijke fauteuils die er uitzien zoals ze heten.

Met zijn dierenstoelen heeft Arne Jacobsen zichzelf overtroffen. Ze hebben een frivole doelmatigheid die zijn gebouwen missen. Die zijn vrijwel altijd streng en recht in de functionalistische leer, zoals nu te zien is op de tentoonstelling "Een grote Deen in Amstelveen' in Museum van der Togt. Slechts af en toe schemert er in zijn gebouwen iets door van de genialiteit die zijn insektenstoelen tot klassiekers van de design hebben gemaakt, zoals zijn Texaco benzinestation uit 1937 waarvan de luifel een voorafschaduwing is van zijn beroemde stoelen.

In Denemarken was Arne Jacobsen een pionier van de modernistische architectuur. Maar in Europees opzicht was Jacobsen een modernist van de tweede generatie, die pas aan het eind van de jaren twintig werd bekeerd tot het functionalisme. Op zichzelf is dit natuurlijk geen bezwaar, maar de meeste gebouwen van Jacobsen houden bijna altijd iets van de dor- en droogheid waartoe de toepassing van functionalistische dogma's in minder virtuoze handen leidt. Op hun best vallen zijn gebouwen in de categorie "mooi maar ook een beetje saai', zoals zijn woningbouwcomplex Bellevue in de badplaats Klampenborg uit de jaren dertig. Maar verschillende andere ontwerpen komen hooguit in aanmerking voor de kwalificatie "degelijk maar gruwelijk'. Het Hotel Royal en SAS-gebouw (1961) in het centrum van Kopenhagen bijvoorbeeld, vertoont met zijn exterieur van spiegelglas en arrogante omvang al veel van de kenmerken die de hedendaagse glazen kantoorkisten zo weerzinwekkend maken. Nog erger is Jacobsens stadhuis in Mainz dat in 1973 werd voltooid: een massief gesloten bouwwerk, dat met de zware, voor de ramen geplaatste roosters doet denken aan het troosteloze, naoorlogse functionalisme uit Oost-Europa.

Misschien wordt de weerzin tegen Jacobsens architectonische werk in de hand gewerkt door de tentoonstelling. Het architectuurgedeelte bestaat uit foto's van zijn gebouwen en uit fotokopieën van zijn tekeningen, die een architectuurexpositie altijd iets armoedigs geven. De summiere begeleidende teksten zijn in het Deens. Vaak zijn ze wel gemakkelijk te vertalen maar soms leiden ze tot verwarring. Zo staat bij de eerste fotokopie "Arne Jacobsens afgangsproject'. Het designgedeelte, waar de stoelen, serviezen, lampen en deurknoppen zijn uitgestald, lijkt nog het meest op een toonzaal van Deense fabrikanten van Jacobsenspullen. Hun namen worden tot vervelens toe vermeld en de vertoonde video is niet meer dan een reclamefilmpje voor de producent van de "vlinderstoel'.