Oppositie bereid Catalaan Jordi Pujol premier te maken; Eenheid Spanje in de waagschaal

MADRID, 26 NOV. De grootste oppositiepartij van Spanje, de Partido Popular, is bereid na de volgende verkiezingen een coalitieregering te vormen met als premier Jordi Pujol, de huidige president van de deelregering van Catalonië.

Dat zei oppositieleider José Maria Aznar deze week tijdens een spreekbeurt in Barcelona en zowel daar als in Madrid is de uitspraak met verbijstering ontvangen. De partijsecretaris van de regerende PSOE noemde het spottend een gebrek aan zelfvertrouwen dat de grootste concurrent bereid is het landsbestuur aan de vertegenwoordiger van één regio uit te leveren en vroeg zich af wat de kiezers daar wel niet van moesten denken. De Partido Popular (PP) heeft op dit moment 107 zetels in het 350 leden tellende Huis van afgevaardigden en mag volgens de laatste opiniepeilingen op een winst van zeker twintig plaatsen rekenen. Pujols nationalistische coalitie Convergencia i Unio beschikt slechts over 17 man en wordt geplaagd door hevige interne twisten die tot het aftreden van de fractievoorzitter hebben geleid. De president van Catalonië acht het idee dat hij Felipe Gonzalez zou opvolgen zelf dan ook “weinig realistisch”. Maar Aznar herhaalde eergisteren nog eens dat hij niet per se zelf aan het hoofd hoeft te staan van het kabinet dat eindelijk een rechts alternatief zou kunnen vormen na ruim tien jaar socialistische alleenheerschappij.

De proefballon van de PP-voorman laat zien hoe ver hij wil gaan om de hegemonie van de PSOE te doorbreken. Heel ver. Want de eenheid der natie is vanouds een grondbeginsel van rechts Spanje en daarin past geen steun aan regionaal nationalisme en regionale partijvorming. Het zijn nu de socialisten, vanouds toleranter tegenover de aspiraties van met name Basken en Catalanen, die zich moeten opwerpen als verdedigers van de ondeelbaarheid van Spanje. Premier Gonzalez noemde onlangs het steeds verder uiteenvallen van het land, de "territoriale desintegratie', het probleem dat hem op dit moment de allergrootste zorgen baart. Ook hij is echter na de verkiezingen van volgend jaar naar alle waarschijnlijkheid aangewezen op de steun van grote regionale partijen, zoals het Catalaanse CiU of de Baskische PNV om verder te kunnen regeren.

Dat de PP nu toenadering zoekt tot deze zelfde partijen, met wie zij overigens al in het Europarlement het lidmaatschap van de christen-democratische fractie deelt, is een nieuwe stap. Maar al eerder tekende zich een strategie af die zich bediende van regionale sentimenten met als uiteindelijk doel het veroveren van de macht in Madrid. In Galicië bracht de oprichter en erevoorzitter van de partij, Manuel Fraga, het met een campagne waarin hij uitsluitend Gallego sprak en Qeimada dronk, tot president van de Xunta, de deelregering. In Cantabrië sloot de PP een pact met de ter plekke zeer geliefde, maar elders door zijn betrokkenheid bij corruptie-affaires omstreden, politicus Juan Hormachea. In Navarra was de PP zelfs bereid zich geheel op te heffen en zich aan te sluiten bij de lokale leider Juan Cruz Alli, in ruil voor diens steun bij de volgende landelijke verkiezingen. En in Valencia hebben rechtse politici zelfs een taalstrijd ontketend die, ondanks de vrijwel unanieme afwijzing van linguïsten, moet aantonen dat het Valenciaans en het Catalaans twee heel verschillende talen zijn.

Ook in Aragon, op de Canarische eilanden en op de Balearen hebben zich krachtige regionale bewegingen ontwikkeld die dezelfde rechten eisen als de drie "historische regio's' Catalonië, Galicië en Baskenland op grond van hun historische, culturele en taalkundige eigenheid in het begin jaren tachtig vastgestelde autonomiestatuut hebben gekregen. De PP heeft weliswaar dit onlangs hernieuwde statuut mee-ondertekend, maar toen eerder deze maand ruim tienduizend Aragonezen in Madrid kwamen demonstreren voor meer onafhankelijkheid deed de partij daar toch aan mee. Alleen de socialisten plegen zich van steun aan dergelijke manifestaties te onthouden. Zij vinden de slachtofferrol die regionale regeringen maar al te vaak aannemen tegenover de landelijke overheid een goedkope truc en noemen het spelen met onrealistische onafhankelijkheidswensen een vorm van politieke chantage, die bovendien op een gevaarlijke manier uit de hand kan lopen. Maar daarbij speelt mee dat het landsbestuur in handen is van hun eigen partij. En die partij is zich intussen heel goed bewust van de groeiende aantrekkingskracht van het regionale nationalisme.

Bij de landelijke parlementsverkiezingen van 1977 behaalden de belangrijkste regionale partijen nog maar 6,6 procent van de stemmen. In 1989 was dit gestegen tot 10,6 procent. Maar wanneer men er de stemmen bij optelt die werden uitgebracht op partijen die de kiesdrempel uiteindelijk niet haalden kwam het percentage vermoedelijk zelfs boven de vijftien uit. Die splinterpartijen met regionaal-nationalistische doelstellingen nemen de laatste tijd bovendien snel in aantal toe. Vorig jaar werden er maar liefst 189 nieuwe politieke groeperingen geregistreerd in Spanje. Alleen in 1977, toen partijvorming voor het eerst weer officiëel was toegestaan, werd dit cijfer overtroffen. Volgens de staatssecretaris voor de autonomiën, Francisco Peña, zijn de meeste van deze partijen naast chauvinistisch ook conservatief en vormen ze dus vooral een bedreiging voor de PP van Aznar. Maar de groep kiezers die gevoelig is voor hun boodschap omvat zo'n drie miljoen mensen. En dat aantal kan voor zowel conservatieven als socialisten het verschil betekenen tussen regeren en niet-regeren in 1993.