Op het nachtkastje staat een fles drank

Doe haar een hoofddoekje om en ze is een oud en tanig vrouwtje dat haar hele leven op het land heeft gewerkt en nu haar hoofd niet meer van het kussen wil oprichten. Maar hoofddoekjes zijn hier niet. En dit is geen oud vrouwtje maar een baby van twee maanden. Een meisje. Haar gezicht ziet er grauw en benig uit. Haar kaken kunnen elk moment door de dunne huid heen breken. Scherpe rimpels lijken te duiden op zorgen die zij nooit onder woorden zal kunnen brengen. “Til haar maar eens op”, zegt een van de verpleegsters.

Minder dan een leeggeblazen ei weegt ze. Eén tochtvlaag en het is met haar gebeurd. Ze is ernstig ondervoed. Babyvoeding is hier niet te krijgen, zoals er bijna niets te krijgen is. Waar haar ouders zijn, weet niemand. Waarschijnlijk zijn ze hals over kop op de vlucht geslagen voor het geweld van de Serviërs.

De kraamafdeling van het ziekenhuis in Bihac biedt een hopeloze aanblik. De lakentjes op de bedden zijn goor. Warm water om ze te wassen is er niet en met koud water krijg je de bloed- en urinevlekken er nooit helemaal uit. De kussenslopen zijn vodden, grauwe vodden. De verpleegsters knopen ze elke morgen om de kussens heen, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Als ik de baby's zo zie liggen, moet ik denken aan zwervertjes die hun hoofd laten rusten op een knapzak. Maar dat beeld heeft iets vrolijks en dat kan van dit tafereel niet worden gezegd.

Bihac ziet er 's avonds uit als een "ghosttown'. Niemand waagt zich op straat. Voor deuren en keldergaten liggen zandzakken. Om bij een explosie versplintering te voorkomen zijn alle ramen afgeplakt met tape. Elke avond wordt de verduisterde stad vanaf de rondom liggende heuvels door de Serviërs bestookt met granaatvuur. Het ziekenhuis, "the only light spot in the night', zoals een dokter het uitdrukt, is daarbij ook doelwit. Een hele afdeling is al weggeblazen door granaten. Een jongen die herstellende was van tbc raakte bij zo'n granaataanval zijn beide benen kwijt. Met ogen waarin ongeloof en wanhoop om voorrang strijden kijkt hij ons aan vanuit een stinkend ziekenzaaltje. Op zijn nachtkastje staat een fles met sterke drank. Nu er bijna geen morfine meer is, neemt men het niet zo nauw meer met de ziekenhuisvoorschriften.

Naast hem ligt een man die tijdens het kappen van hout op een mijn is gestapt. Zijn been is afgezet. Een enorme bloederige klomp verband komt onder de dekens uit. "Boomchirurgie', zo gaat het door mij heen. Maar de gedachte schud ik snel uit mijn hoofd. De dokters en verpleegsters doen hier wat ze kunnen en de oorlogs-chirurgie is redelijk goed ontwikkeld. Voor "gewone' ziekten, zoals kanker en diabetes, zijn weinig of geen medicijnen beschikbaar. Daardoor is een adequate behandeling van deze kwalen bijna onmogelijk geworden.

We hebben hier in het ziekenhuis een "kennisje' liggen. Zerena heet ze. Terwijl we op weg waren naar Bihac, is ze door ons aangereden. In het dorpje Marjanova, waar ze woonde, stak ze voor een stilstaande bus plotseling de weg over. We reden niet harder dan veertig kilometer per uur maar konden haar bij het passeren van de bus niet meer ontwijken.

Wat is een lichaam zacht en kwetsbaar! Die gedempte, macabere, bons - telkens hoor ik hem weer, telkens zie ik dat ongeluk weer voor me.

Als een zak met een schreeuw erin wordt het meisje omhoog geslingerd. We stoppen onmiddellijk. Stuiptrekkend ligt ze langs de kant van de weg, bloed kronkelt uit haar mond en oren. Met een personenauto wordt ze in allerijl naar een naburig kliniekje vervoerd. We vrezen voor haar leven. Wat een wrede ironie. Je gaat mee met Artsen zonder grenzen om medicijnen en chirurgisch materiaal naar een ziekenhuis te brengen en dan gebeurt er zoiets.

In een oogwenk worden we ingesloten door dorpelingen, naar schatting zo'n kleine honderd. Argwanend kijken ze naar de Toyota, naar de vlag waarop in rode letters het vignet staat van Médecins sans frontières. Onze tolk legt uit dat we geen kwaad in de zin hebben, dat we hier juist zijn om de bevolking te helpen, maar daarmee zijn de vijandige, argwanende, blikken niet verdwenen. Ik kijk om mij heen, naar al die scherpe, gelooide, koppen en denk: zal het hier dan gebeuren, zullen we hier ons einde vinden? Ik herinner mij verhalen waarin iemand voor het aanrijden van een hond werd gelyncht en begin te beven als een Parkinson-patiënt. Een gek met witte vegen in zijn gezicht draait telkens om ons heen, hij heeft een scherpe priem in zijn hand. Gelukkig arriveert de politie snel. Met hun automatische geweren gebaren ze de menigte afstand te houden.

Later op de avond wordt het meisje door het Franse UN-bataljon naar Bihac gebracht. Ze ligt te klappertanden onder de dunne legerdeken, kijkt met een verwilderde blik naar de blauwe zwaailichten van de ambulance. Drie van haar voortanden zijn bij het ongeluk gesneuveld. Maar al met al blijken de verwondingen mee te vallen. Haar rechterbeen is op verschillende plaatsen gebroken en er zijn wat inwendige kneuzingen.

Als we haar bezoeken op de intensive care van het ziekenhuis in Bihac, verschijnt er een lach op haar gezicht. Ik laat de tolk vragen wat we nog voor haar kunnen doen. Wil ze iets hebben, kunnen we iets voor haar kopen? “Nee, er is niets te koop hier.” Terwijl we het ziekenhuisterrein verlaten, zie ik hoe door opgeschoten jongens sigaretten per stuk worden verhandeld. Het stalletje naast de ingang is gesloten. Er is niets troostrijks meer voorhanden. Bloemen behoren hier tot het verleden.