NIEUWE DISNEY-FILM TOONBEELD VAN ORIGINALITEIT EN TOEWIJDING; Het Beest is liefde

Beauty and the Beast (Belle en het Beest). Regie: Gary Trousdale/Kirk Wise. Nederlandse vertaling: Jan Derk Beck. Met de Nederlandse stemmen van Joke de Kruijf, Rob Fruithof, Henk Poort, Johnny Kraaykamp jr., Arnold Gelderman, Luc Lutz, Henny Orri, e.a. In 70 theaters. De origineel Amerikaanse versie (o.m. met Robbie Benson en Angela Lansbury) zal vanaf 10/12 te zien zijn in Amsterdam (Alfa), Rotterdam (Alhambra) Den Haag, (Babylon) en enige weken later ook in Den Bosch, Hilversum en Amersfoort.

Dat de avondvullende animatiefilm Beauty and the Beast voor het eerst in de geschiedenis van de Academy Awards een Oscar-nominatie heeft gekregen in de categorie "Beste Film' is aardig, maar het is niet het belangrijkste. De film markeert voor alles dat het onmogelijke waar werd: de Disney Studio's pakten niet alleen de standaard op die hun oprichter, wijlen Walt (1901-1966), vestigde met Sneeuwwitje en de zeven dwergen (1937), ze blijken hem zelfs te kunnen handhaven.

Dat is een klein wonder. Immers, meer dan twintig jaar lang leek de klad erin te zijn gekomen. Niet langer werd er geïnvesteerd in scenarioschrijvers die enkelvoudige sprookjesverhalen omvormden en opvulden tot respectabel gelaagde, magische geschiedenissen met een lach en een traan, een verrassende wending en een levensles. En de animatie werd toevertrouwd aan goedkoper werkende computerprogrammeurs, die glad vertoon afleverden in plaats van de innemende, gedetailleerde beelden van hun met de hand werkende voorgangers. Zo bleef de Disney-"tekenfilm' garant staan voor een leuk uitje, maar films als Robin Hood en The Aristocats misten toch de toverkracht van Bambi, Alice in Wonderland of Lady en de Vagebond. Ten slotte maakte men, in een krampachtige poging om tegemoet te komen aan de moderne jeugd, Tron (1982, overgestileerde, geanimeerde horror op basis van figuren uit een computerspelletje) en toen werd het stil, daar achter de met computers opgetuigde tekentafels van Disney. Het familie-publiek heeft vandaag de dag geen behoefte meer aan speelfilmlange animatieprodukties, heette het.

Langzamerhand begon bij Disney te dagen wat het betekende dat datzelfde publiek wel massaal naar de bioscopen kwam, wanneer er een Disney-klassieker opnieuw werd uitgebracht, zoals Pinocchio of 101 Dalmatiërs. Eind jaren tachtig trok het zakelijke en creatieve team dat schuilgaat achter de naam Disney zijn conclusies en maakte men de avondvullende tekenfilm De kleine zeemeermin (1989). Daarbij werd niet krampachtig gepoogd modern te doen, maar ging elke afdeling te werk volgens de ouderwetse Disney-tradities: een zorgvuldig geschreven, psychologisch invoelbaar verhaal rond een even lieftallig als opstandig heldinnetje kreeg vorm in grotendeels handgetekend materiaal en in een aantal substantiële songs. Dit was blijkbaar waar we allemaal op hadden gewacht: De kleine zeemeermin werd een groot succes.

Met Beauty and the Beast (in Nederland heet hij Belle en het Beest) kan worden vastgesteld dat De kleine zeemeermin geen toevalstreffer of luxueus avontuur van de Disney Studio's is geweest. Ook deze film is een toonbeeld van toewijding en van geamuseerde originaliteit op alle fronten, niet in de grote lijnen maar in de kleinere bijzonderheden. Handuitgevoerde animatie voert de boventoon en beheerst de voor tekenaars onuitvoerbare, door de computer uitgevoerde technische trucs, met de meest fantastische resultaten: "camerabewegingen' die precies de zwier van een song weergeven, of de feestjapon van Belle die op het ritme van haar dans haar lichaam volgt. De meeslepende songs zijn van Allan Menken, die er opnieuw, na zijn werk voor De kleine zeemeermin, een Oscar mee won. Ze zijn nooit gratuit maar helpen altijd het verhaalverloop vooruit, dat ook in visuele vormgeving nadrukkelijk werd geschoeid op de formules van de Hollywood-musical.

De oorspronkelijk Franse sage, La belle et la bête, is bekend: een eenvoudig meisje is gedwongen zich uit te leveren aan de genade van een afzichtelijk creatuur dat een verlaten kasteel bewoont. In feite is het monster een behekste edelman, die alleen zijn eigen gestalte terug zal krijgen wanneer hij ondanks zijn gedaante oprechte liefde weet te wekken bij een jonge maagd. Anders dan de eerdere verfilmingen (bijvoorbeeld van Jean Cocteau, uit 1946) draait Disney's versie (onder de regie van debutanten Garty Trousdale en Kirk Wise, naar een inventief scenario van Linda Woolverton) niet om de deugd en onbaatzuchtigheid van het meisje, maar om de tragiek van het Beest. Vanaf het moment dat we hem in het oog hebben gekregen, vallen we voor hem. Hij is enorm, hij is eng, hij is driftig, hij bast en buldert (in de Amerikaanse versie nog angstaanjagender dan in de Nederlandse), maar door zijn schitterend getroffen mimiek en motoriek weten kind en volwassene meteen dat hij eigenlijk lief is en nu vooral verkeert in meelijwekkende omstandigheden. Tegenover hem staat het plattelandsmeisje Belle, uiterlijk gemodelleerd naar de late negentiende eeuw in mediterraan Europa, maar in karakter en gedrag een ferm en vrolijk twintigste-eeuws type. Net als het zeermeerminnetje Ariël is ze geen ideale droomvrouw, maar aantrekkelijk zoals meisjes aantrekkelijk zijn, natuurlijk, naïef, en met een lok haar die altijd lastig in haar ogen hangt.

Hoe ze elkaar vinden, hoe het Beest zijn zelfgenoegzame drift leert beheersen en zijn trots laat varen, moet hier in het midden blijven, als maar gewag mag worden gemaakt van het sublieme tempo van die ontwikkeling. Dat Belle van haar Beest gaat houden legt de film niet op, het ligt in de loop der dingen. Het gaat zelfs zo natuurlijk in zijn werk dat er niet eens sentimenteel over wordt gedaan.

Zoals dat hoort in een Disney-animatiefilm van klassieke kwaliteit is de geschiedenis van de hoofdpersonen gestoffeerd met een collectie onvergetelijke bijfiguren. In Belles dorp valt vooral Gaston op, de uitermate komisch getroffen ijdele bink (met opdringerig tentoongesteld borsthaar), vereerd door domme wichten, een terreur voor het meisje dat te slim is om op zijn avances in te gaan. Het personeel van het betoverde kasteel bestaat uit een bont gezelschap levende voorwerpen: de huishoudster Mevrouw Tuit is een moederlijke theepot, de Matre d' is een dienstklopperige, ook figuurlijk opgewonden pendule, de huisknecht een snaakse kaarsenstandaard met een Frans accent - hij heet Lumière en hij knijpt graag de slanke wulpse stoffertjes onder hun ragebollerokjes. Hoogtepunt van hun optreden is de onvervalste Moulin Rouge-show die ze uitvoeren ter gelegenheid van een stiekem nachtelijk diner voor Belle. Minutenlang is het beeld gevuld met een sierlijke, bijna abstracte wirwar van huishoudelijk gerei. Lumière zingt een welkomstlied of hij Maurice Chevalier is, de vorken dansen met hooggeheven tandjes een provocerende cancan, de borden drijven door de afwasteil als gold het een Busby Berkeley-zwembadballet.

Voor de liefhebbers wordt binnenkort de oorspronkelijke, Amerikaanse, versie van Beauty and the Beast in enkele Nederlandse theaters vertoond. Maar Belle en het Beest is in het Nederlands net zo aantrekkelijk. De vertaling van Jan Derk Beck is inventief en geestig, de regie van de nasychronisatie is onberispelijk, de Nederlandse stemmen zijn meer dan acceptabel en soms zelfs ongeveer getypecast: Sacco van der Made spreekt een figuur in dat een beetje op hem lijkt, Luc Lutz en Johnny Kraaykamp jr. zouden de rollen aan wie zij hun stem leenden met gemak op de planken kunnen spelen.