Laatste noodrantsoen

Trouwe afnemers van de griep-prik ontlopen de griep maar missen de koortsdromen die met de ziekte gepaard gaan. Zo worden de geestverruimende dromen teruggebracht tot iets dat men alleen met de kindertijd associeert.

De griep van dit najaar bracht de patiënt op het water. Zeewater was het, niet ver van de eenzaamheid van de Sargassozee. Zojuist was het stokoude passagiersschip onder het exploderen van de stoomketels in de diepte verdwenen. 't Was de overlevenden opgevallen dat daarbij weinig zuiging optrad, beweringen dat een zinkend schip ook uitgezette sloepen achter zich aan trekt waren een fabeltje gebleken. Het omgekeerde leek het geval: in het schuim dat het schip had achtergelaten kwam nog veel nuttigs bovendrijven. Een geluk bij een ongeluk, want er wàren geen sloepen uitgezet.

Nu zat het AW-team op een dekluik met niets meer dan het vege lijf en de kleding die het droeg. Weldra zou er zou er strijd gevoerd moeten worden met toenemende krankzinnigheid en met de lotgenoten die stilzwijgend tot kannibalisme besloten. Vooralsnog vroegen vooral honger en dorst om de aandacht. Ach, was er maar zo'n survivalgids aan boord, dan had men geweten of zeewater drinkbaar was en of het zin had de schoenen op te eten.

Terug in bed blijven de vragen hangen. Wat is eigenlijk het eindoordeel van fysiologen over de drinkbaarheid van zeewater? Verdient het de voorkeur boven urine of moet er worden uitgeweken naar het leegknijpen van zeevis?

Onderzoekers die à l'improviste mededelingen doen over het drinken van zeewater zijn zeldzaam. Gebelden raden aan de literatuur op te slaan en de "Nieuwe voedingsleer' (Aula Paperback, 1988) blijkt nog steeds een goede bron. De paragraaf "Water en keukenzout' gaat expliciet in op het probleem: het eindoordeel viel in de jaren zestig en wordt door de wereldgezondheidsorganisatie uitgedragen (WHO Chronicle, sept. 1962). De WHO waarschuwt met klèm tegen het drinken van zeewater en ontraadt het mengen van zeewater met zoet water. ""Zelfs kleine hoeveelheden zeewater hebben op sommige individuen een ongunstig effect.''

De basis voor het inzicht werd gelegd door proeven met zoogdieren die men water met 2 à 3 procent zout te drinken gaf. (Zeewater bevat 3,5 procent zout.) Zij stierven binnen enige weken. Interessant is dat twee artsen zichzelf als proefdier hebben gebruikt. De Franse arts Alain Bombard liet zich in 1952 op een rubber vlot met zeil van Afrika naar het Caribische gebied drijven zonder drinkwater mee te nemen (het verslag "Naufragé volontaire' verscheen in 1953). Bombard dronk twee weken zeewater en zes weken visnat en kwam behouden op Barbados aan. Het kan zonder drinkwater, was zijn conclusie.

De Duitse arts Hannes Lindemann herhaalde het experiment in een vouwkano met zeil. Het kostte hem 119 dagen en hij schoot er bijna het leven bij in. Zijn oordeel in "Allein über den Ozean' was dat zoet water onontbeerlijk is.

Minder expliciet zijn de mededelingen over urine. Gemiddeld genomen is urine wat minder zout dan zeewater, maar het kan soms zouter zijn. Giftig is urine niet direct (tenzij men toevallig vergif gegeten had) maar het hoge gehalte ureum is een bezwaar: het leidt tot een verhoogde urineproduktie en dus extra vochtverlies. Men zou urine kunnen drinken terwille van het kalmerend effect dat boeddhisten zo aanspreekt.

Over het geprezen vissenat zijn deskundigen het niet helemaal eens. De meeste zeevis weet de lichaamsvloeistof ten opzichte van zeewater aardig hypotoon te houden, maar een probleem is dat kieuwen, keel en schubben veel aanhangend zeewater bevatten. Wie de vis klakkeloos uitknijpt mengt toch zoet met zout water. Het "Handboek overleven op zee' (Unieboek, 1981) ziet er weinig in. Een extra waarschuwing verdient het vocht van haaien en roggen dat veel ammoniak en ureum bevat.

Valt de visvangst tegen dan rest de zeevarenden op het dekluik in de Sargassozee weinig anders dan het leegknijpen of leegzuigen van natgeregende kleding. Allicht dat vroeg of laat de vraag opkomt of delen van de kleding misschien ook eetbaar zijn. Per slot bestaan zijde, wol en leer uit dierlijke eiwitten en waarom zouden die niet verteren als je er goed op kauwt?

Ook daarop heeft de literatuur een antwoord. De eiwitten uit haren, hoorn, zijde en huid vallen alle onder de noemer skleroproteïnen en die van haren en hoorn ("keratine') onderscheiden zich door het voorkomen van talrijke zwavelbruggen tussen de eiwitketens. Het aminozuur cysteïne is daarvoor verantwoordelijk. Ze maken de eiwitten vrijwel ontoegankelijk voor de inwerking van de gebruikelijke eiwitsplitsende enzymen. Zijde dankt zijn belabberde voedingswaarde waarschijnlijk vooral aan de zware chemische behandeling die men het "fibroïne' van de zijderups heeft laten ondergaan.

Leer is gelooide huid en huid bestaat voornamelijk uit "collageen'. De complexvorming (het optreden van dwarsverbindingen) in collageen valt wel mee en inderdaad zijn er roofdieren die huid verteren. Ook wordt langs industriële weg een eetbaar preparaat uit collageen bereid: gelatine. De essentie van looien is jammergenoeg dat het het aantal dwarsverbindingen tussen de ketens vergroot en de verteerbaarheid navenant verkleint. Toch sluit onderzoeker ir. G.H. Tolman van het instituut ILOB-TNO niet uit dat de consument die leer naar binnen werkt dat voldoende mechanisch is verkleind daaruit voedingsstoffen opneemt. Van het driewaardige chroom dat daarmee tegelijk wordt opgenomen is niet al teveel gevaar te duchten; in 1959 werd ontdekt dat het zelfs een "essentieel element' is. Tolman weet het wel sterker: er bestaan serieuze plannen bij de industrie om oude schoenen op te werken tot een eiwitrijk produkt dat kan worden voorgezet aan kalveren of biggen.