Het streven naar een billijker economie; In ons economisch denken passen geen liberale of socialistische principes meer; We streven niet meer naar een revolutie, maar naar een beter functionerende economie; Democratie die haar naam verdient mag geen ...

De Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith is van mening dat de progressieve krachten aan beide kanten van de Atlantische Oceaan hun energie niet moeten verspillen aan het bedenken van een alternatief economisch systeem, maar het bestaande moeten verbeteren - in het belang van de sociale onderklasse.

Verbonden als ik me sinds jaar en dag voel met politiek links in Engeland, denk ik nog altijd met verwondering en spijt na over de nederlaag die Labour eerder dit jaar heeft geleden. En deze gevoelens worden er niet minder op als ik kijk naar wat de regering van John Major vervolgens heeft gepresteerd. Is dt waarvoor de Britse kiezers hebben gekozen? Waarom stemden de Britten zo apathisch, te midden van een nijpende crisis en slechts enkele maanden na de afschaffing van de gehate poll tax? Welke fatale fout heeft links gemaakt?

In de Verenigde Staten is de toestand ingewikkelder. Bill Clinton was gezegend met een uitermate zwakke tegenstander. Maar dat was niet eens doorslaggevend. Als de toestand van de Amerikaanse economie ook maar enigszins bevredigend was geweest, zou George Bush, niettegenstaande zijn saillante incompetentie, glorieus hebben gezegevierd. Clinton heeft in tal van kwesties zorgvuldig een verhoudingsgewijs conservatief standpunt ingenomen. Er werd veel gepraat over de middenklasse; vrijwel niet over de sociale onderlagen.

Wat heeft links zichzelf toch aangedaan? De afgelopen halve eeuw waren de progressieven, in Groot-Brittannië nog wel wat meer dan in de VS, de initiatiefnemers en leiders van een sociale revolutie die de scherpste kantjes van het kapitalisme heeft afgeslepen en een groot deel van hun achterban een betrekkelijk gerieflijk en zeker bestaan heeft bezorgd. Oudedagsverzekeringen, werkloosheidsuitkeringen, openbare gezondheidszorg en huisvesting, betere openbare voorzieningen, afschaffing van de ooit meedogenloze uitbuiting van vrouwen en kinderen, het minimumloon en effectieve vakbonden hebben het kapitalisme, om preciezer te zijn de moderne gemengde economie, tot een aanvaardbaar economisch stelsel gemaakt. De boosheid en militante politieke vijandschap die het kapitalisme vroeger wekte, zijn voor altijd verleden tijd.

Deze hervorming, die het kapitalisme heeft gered, die een aanzienlijk deel van het electoraat ertoe heeft gebracht het te aanvaarden en te omarmen - die hervorming is wat links zichzelf heeft aangedaan. Wij hebben, tegen gemotiveerde en soms militante oppositie in, de wetgeving en andere maatregelen geformuleerd en geïnitieerd die het kapitalisme van een wisse ondergang hebben gered. De conclusie is duidelijk: we moeten leren leven met ons eigen succes.

We streven niet langer naar een ander economisch stelsel. Het is trouwens ook niet zeker meer of er wel een ander bestaat. We trachten het bestaande economische stelsel verdraagzamer en billijker te maken. We streven niet naar gewelddadige verandering, laat staan naar revolutie, maar naar een sociaal beter functioneren van het huidige stelsel.

Daartoe moeten we enkele vroeger betrokken stellingen verlaten. In ons denken over het economische stelsel past niet langer het dictaat van een beginsel of beginselen - socialistische beginselen, sociaaldemocratische beginselen of (in de Verenigde Staten) links-liberale beginselen. Onze tijd is er een van constructief pragmatisme, waarin de dingen op hun merites worden beoordeeld. Het blijft bij nadenken - de vlucht in de theologie is niet langer mogelijk. Dit blijkt uit onze houding ten aanzien van het staatseigendom. We kennen daaraan geen principieel belang meer toe, net zomin als we nog het in wezen theologische streven naar privatisering aanhangen. We zijn voor datgene wat het beste werkt. Zo is er ook geen algemeen discours voor of tegen overheidsingrijpen. Ook daarover wordt besloten op basis van de verwachte maatschappelijke verdienste.

Omdat we aanvaarden dat de staat een belangrijke pragmatische rol speelt, moeten we bedacht zijn op de doelmatigheid en algehele effectiviteit van het overheidsoptreden. Bij de openbare dienst kunnen net als bij de particuliere onderneming stagnatie en incompetentie voorkomen. We moeten ons krachtig inzetten voor een effectieve, zorgzame ambtenarij. We waarderen de ambtenaar hoog; we verzetten ons krachtig tegen de manier waarop conservatieven hem consequent in een hoek trappen en beledigen. Maar we maken ons ook sterk voor een doelmatige overheid.

Om de gewenste rol van het overheidsoptreden te kunnen beoordelen moeten we ons bewust zijn van een belangrijke dysfunctie binnen de moderne gemengde economie: de betalenden en de behoeftigen zijn verdeeld over twee aparte, verschillend gemotiveerde gemeenschappen.

De moderne gemengde economie is afhankelijk van een groep die fungeert als onderklasse: de grote gemeenschap van mensen die het zware, saaie, vaak mensonterende werk doen waarvoor de jongste generaties uit de meer begunstigde gemeenschap de neus optrekken, of degenen die door de plaats waar ze wonen of door gebrek aan scholing, opleiding of kansen in het geheel geen werk of inkomen hebben. We moeten ons ten doel stellen op te komen voor deze onderklasse, en te aanvaarden dat een groot deel van de steun en de hulp die zij nodig heeft slechts door de staat kan worden verschaft. Het scheppen van werk, uitkeringen, opleidingen, bijscholing, verslaafdenhulp, huisvesting - alle dringende behoeften van de onderklasse - komen ten laste van de overheid.

Als we dit accepteren zal ons dat wellicht aanhang kosten onder de meer gefortuneerden, de gemeenschap van het persoonlijk welbevinden. Dat zij zo. Wil een democratie die naam waardig zijn, dan mag ze geen grote bevolkingsgroep uitsluiten van het recht zich te doen vertegenwoordigen en horen.

In dit verband doet zich een groter probleem voor: de distributie van het inkomen in de moderne gemengde economie. Zolang die distributie aan zichzelf wordt overgelaten, is ze in hoge, ja onaanvaardbare mate ongelijk en zal die ongelijkheid nog toenemen. In de Verenigde Staten, het meest extreme voorbeeld, misschien op Japan na, is 70% van de inkomensstijging tussen 1977 en 1988 naar 1% van de bevolking gegaan. Het aandeel dat naar de armen toe vloeide, is gedaald. Dit is maatschappelijk onduldbaar; een krachtige stellingname voor een billijker inkomensverdeling moet een belangrijke plaats in ons program krijgen.

De rijken zullen ons de rug toekeren; maar dat hebben ze toch al gedaan. Dat de belangen van de gemiddelde burger anders zijn, moet centraal staan in ons betoog. We accepteren niet de argumenten waarmee men zo elegant de financieel bevoorrechten tracht te beschermen - het betoog dat de rijken de prikkel van een hoger inkomen nodig hebben terwijl de armen de aansporing van hun eigen armoe behoeven.

De progressieve inkomstenbelasting is een van de beschavende, sterkende geschenken aan het kapitalisme geweest. Geeft die enerzijds uiting aan het streven koopkracht en levensstandaard van de laagste inkomens te ontzien, anderzijds heeft ze ook een gunstig economisch effect. Een redelijk billijke inkomensverdeling is een stabiliserende economische factor - ze functioneert op macroniveau. De armen en de middenklasse geven hun inkomsten uit; hun bijdrage aan de totale vraag is stabiel en betrouwbaar. Alleen de welgestelden kunnen zich veroorloven inkomsten aan de uitgavenstroom te onttrekken en bloot te stellen aan de onzekerheden van het beleggen. Een deel van de huidige economische moeilijkheden waarmee de VS kampen, is toe te schrijven aan Reagans gulheid jegens de rijken.

Onze belangrijkste taak is te zorgen dat wij de politieke gemeenschap vormen die de moderne gemengde economie kan laten functioneren. De voornaamste zwakte van het conservatieve standpunt, en dit wordt bevestigd door de huidige omstandigheden in Amerika en Groot-Brittannië, is het onvermogen om effectief op te treden tegen een economische depressie. Ik gebruik het woord "depressie' niet zonder reden; de term "recessie' ("teruggang') impliceert een automatische tendens naar een evenwicht op hoogconjunctureel niveau.

De moderne realiteit is een evenwicht bij onvolledige werkgelegenheid zoals zich dat in ernstiger vorm heeft voorgedaan in de jaren '30. Dat evenwicht zal zich niet, zoals conservatieven geloven of veronderstellen, herstellen op een niveau van volledige werkgelegenheid. Onze politieke toekomst hangt in de eerste plaats af van ons vermogen de economie op een redelijk hoog werkgelegenheidscijfer te houden en het kiezerspubliek ervan te overtuigen dat wij de politieke kracht zijn die daarvoor kan zorgen. We aanvaarden niet, zoals de Britse Conservatieven en Amerikaanse Republikeinen, dat de economie een inherent herstellend vermogen bezit; we verbeelden ons niet dat een stabiele hoogconjunctuur te verwezenlijken is door de magie van monetair ingrijpen - van het soort dat geen bureaucratische rompslomp, belastinggeld of overheidsinspanning vergt en bij rechts in hoog aanzien staat omdat je het zonder evident ongemak kunt bepleiten. Het is niet onze overtuiging dat er een exclusief verband bestaat tussen verstandig met geld omgaan en hoge intelligentie.

Fundamenteel voor onze reputatie en ons succes in de politiek is het gegeven dat wij de economie laten draaien. Als er werkloosheid is, moeten wij als alternatief een breed scala van benodigde openbare investeringen bepleiten - het scheppen van openbare welvaart. We moeten een tekort op de overheidsrekeningen aanvaarden als onvermijdelijk, als een ander woord voor overheidsinvesteringen. Vervolgens, als de particuliere markt adequaat functioneert, moeten we weer desinvesteren. Onze koers moet er een zijn van het intelligente, gedisciplineerde, economisch ondersteunende budgettair beleid.

Op de uitspraak dat dat nogal ouderwets klinkt, is maar één antwoord mogelijk. Wie tijdens een depressie, zoals nu, aandringt op belastingverlaging doet dat in de hoop, of vaker op grond van de lichtvaardige bewering, dat het bespaarde geld zal worden uitgegeven dan wel geïnvesteerd. Dat is allesbehalve zeker. Het betoog voor belastingverlaging ter correctie van de conjunctuur ontleent zijn succes niet zozeer aan de te verwachten effectiviteit als wel aan de onweerstaanbare aantrekkingskracht die het uitoefent op degenen wier inkomen erdoor zou stijgen.

Een monetair beleid bestrijdt inflatie - door het scheppen van werkloosheid, een mild ondernemingsklimaat, een recessie/depressie. Zelden is een middel zoveel erger dan de kwaal. Als wapen tegen een recessie is het praktisch waardeloos, volgens de aloude gelijkenis van het touwtje, waaraan je wel kunt trekken maar niet kunt duwen.

Voor onze economische reputatie is nog een andere voorwaarde van cruciaal belang, en dat is een loononderhandelingsproces dat zich laat verenigen met prijsstabiliteit. Ik maak geen aanspraak op grote originaliteit voor dit pleidooi - ten aanzien van deze kwestie is al afdoend geconstateerd dat de Engels-sprekende wereld en haar vakbondstraditie achterlopen bij hun Europese en Japanse tegenhangers. Maar er hebben op dit gebied grote veranderingen plaatsgehad, die voorheen werden gezien als een onderwerping aan de macht van het bedrijfsleven; inmiddels blijken ze een reactie te zijn op de incompetentie van het bedrijfsleven.

Hierdoor heeft de hedendaagse vakbond een coöperatieve, om niet te zeggen beschermende rol gekregen. En een partij en een regering die zijn gelieerd met de arbeidersbeweging moeten dit aanvaarden en uitdragen. Dat is essentieel voor onze stelling dat wij een stabiele, progressieve regering kunnen leveren. Het is tevens essentieel voor een macro-economisch beleid dat voor de bestrijding van micro-economische inflatie niet naar het middel van een repressieve monetaire en depressieve fiscale politiek hoeft te grijpen. Dat past bij een tijd waarin wij van links onszelf moeten zien, en gezien moeten worden, als een economische kracht met een heel eigen karakter en niet slechts een beschermende, consoliderende functie.

Ten slotte is er nog een zeer omstreden kwestie waarmee we ons moeten bezighouden, en dat is onze internationale rol.

Als maatschappelijk linkse beweging verwerpen wij kleingeestig nationalisme alsook etnische en raciale conflicten. Die spelen alle in op de gevoelens van emotioneel agressieve maar mentaal achtergestelde personen. We zijn ons zeer bewust van de onderdrukking, dood en verwoesting die die emoties hebben teweeggebracht. We aanvaarden dat de hedendaagse geavanceerde economie wat betreft handel, kapitaalstromen, reizen, communicatie en bedrijfsvoering een internationaal karakter draagt. Het voordeel daarvan is dat het de betrokken naties dichter bijeen brengt. Het zijn de arme landen die thans elkaar afslachten, en niet te vergeten hun eigen bevolking. Economisch determinisme kan zonder enige twijfel zegenrijk zijn. Dat het het gezag van de nationale staat vermindert en een stap in de richting van internationale eenwording is - alweer zonder enige twijfel. Wij keuren dit goed en juichen het toe.

Maar alles op zijn tijd: stabiele koersen en een gemeenschappelijke munt zijn pas mogelijk als er overeenstemming bestaat in het binnenlands, fiscaal en monetair beleid. Deze drie terreinen verdienen grote, zo niet absolute prioriteit. Het zijn de factoren die het kapitalisme leefbaar hebben gemaakt.

Het is dus zaak de juiste volgorde in acht te nemen. Eerst onderlinge afstemming van het sociale en overige binnenlandse beleid; dán de bijzondere verantwoordelijkheid voor degenen - de velen in de VS en de niet weinigen in het Verenigd Koninkrijk - die thans buiten het globale economische verband leven. Wij zijn de pleitbezorgers, de stem van diegenen die het huidige systeem aanvaarden maar geloven dat het waarachtiger ten dienste van allen zou kunnen staan.