Geminga blijkt een nabije neutronenster aan de wandel

Een precies twintig jaar oud mysterie in de sterrenkunde is nu definitief opgelost. De op één na helderste bron van gammastraling aan de hemel, Geminga, blijkt een vrij nabije ster te zijn, zij het een heel bijzondere. Italiaanse astronomen hebben de bron nu geïdentificeerd en zelfs zijn beweging aan de hemel gemeten. Geminga was in 1972 ontdekt met de Amerikaanse SAS-II satelliet en werd daarna waargenomen met de Europese COS-B. De naam is een samentrekking van zijn positie (in het sterrenbeeld Gemini) en zijn aard (een bron van gammastraling).

Doordat de positie van de gammabron slechts ruw bekend was, kon onmogelijk een eventuele optische tegenhanger (een zichtbare ster) worden aangewezen. In het "onzekerheidsgebied' stonden duizenden sterren. In 1983 werd in dat gebied echter een röntgenbron ontdekt die identiek aan de gammabron zou kunnen zijn en met behulp van die positie werd in 1984 een heel zwak sterretje gevonden dat misschien de optische tegenhanger was. In 1991 ontdekte de Duitse Rosat-satelliet dat de intensiteit van de röntgenbron zeer regelmatig varieert en begin dit jaar toonde het Amerikaanse Gamma Ray Observatory aan dat de gammastraling van Geminga precies zo varieert. Dit wees er op dat Geminga een pulsar moet zijn: het snel om zijn as tollende restant van een geëxplodeerde ster.

En nu hebben Italiaanse astronomen ontdekt dat het kandidaat-sterretje uit 1984 ook voorkomt op een opname uit 1987 en op een opname die op 5 november werd gemaakt met de Europese New Technology Telescoop op La Silla (Chili). Het sterretje had zich in die tussentijd verplaatst, hetgeen betekende dat zijn afstand niet groot kon zijn: ongeveer 300 lichtjaar. Kosmisch gesproken is dat naast de deur, want de verste sterren staan zo'n 100.000 lichtjaar van ons vandaan.

Geminga is nu de meest nabije pulsar. De ster-explosie die hem deed ontstaan, zo'n 300.000 jaar geleden, moet de nachthemel wekenlang zo helder hebben gemaakt als het licht van enkele volle manen. De nieuwe vraag is nu waarom de huidige pulsar vrijwel al zijn energie uitzendt in de vorm van gammastraling. De meeste pulsars vallen namelijk vooral op door hun radio- en/of röntgenstraling.

Interessant is dat de Nederlandse astronoom J. Bloemen in 1984 al was kijken of het kandidaat-sterretje misschien al eerder was gefotografeerd. Op een opname van de Palomar Sky Survey uit 1955 vond hij op enige afstand van de kandidaat een zwakke lichtstip. Als dit hetzelfde sterretje betrof, dat zich in die tussentijd had verplaatst, dan zou zijn afstand ongeveer 325 lichtjaar moeten zijn. Hoewel nu duidelijk is dat Bloemen een ander object heeft gezien (en misschien wel een foutje in de fotografische plaat, zoals hij nu zegt), was het resultaat dus vrijwel hetzelfde. Hieruit blijkt hoe misleidend de rol van het toeval kan zijn.