Europa valt in zijn delen uiteen

Het Europese stelsel ontploft. Niet alleen het Europese Monetaire Stelsel schiet kleurrijk uiteen, bijna alles waarop de Europese Gemeenschap sinds haar ontstaan de hand heeft gelegd, lost zich op in het niets. Wat rest zijn drie nationale bolwerken die hun onderlinge verschillen van mening hebben verhard tot egelstellingen van waaruit zij elkaar onder vuur nemen, en een verward groepje landen dat een keus tussen de drie uit de weg probeert te gaan. De crisis is een rechtstreeks gevolg van een tegenstrijdigheid die zich van het begin af in de communautaire architectuur heeft vastgezet en die altijd is veronachtzaamd. Een Gemeenschap van landen beoogt naar haar aard zich te onderscheiden van staten en statengroepen daarbuiten. Maar het ontstaan, de verdieping en de uitbreiding van de EG voltrokken zich in een wereld waarin tegelijkertijd en als gevolg van technologische, sociale, culturele en politieke factoren het onderscheid zich vager en de onderlinge afhankelijkheid zich scherper aftekenden.

De opheffing van de tegenstelling werd volgens zeggen gezocht in de vorming van een "open' gemeenschap. Zolang de Gemeenschap nog stond in het teken van de Frans-Duitse verzoening - eufemisme voor toenmalig Frans streven naar hegemonie en Duits streven naar rehabilitatie - kon de tegenstrijdigheid aan het zicht worden onttrokken. De Duitse industrie kreeg haar Europese markt, de Franse landbouw een zwaar verdedigd afzetgebied en financiële steun voor agrarische offensieven in zogenoemde derde landen. De Bondsrepubliek kon het vaandel van vrijhandelsnatie hoog houden en tegelijkertijd haar boeren laten meeprofiteren van Europa's onverbloemde landbouwprotectionisme. Drie ontwikkelingen maakten aan deze politiek aantrekkelijke ambivalentie een einde.

De eerste was de toetreding van het Verenigd Koninkrijk. Als militair sterke industriestaat en leider van een goedkoop voedsel en grondstoffen genererend Empire had Engeland al in de vorige eeuw afgerekend met zijn boerenstand. Het dogma van agrarische zelfvoorziening als verzekering van nationale onafhankelijkheid en als voorwaarde voor een gezonde en evenwichtige samenleving was op het continent ten tijde van de oprichting van de EG nog populair. De Britten daarentegen hadden allang begrepen dat de oceanen verbindingswegen waren in plaats van obstakels die de zelfstandigheid bedreigden. Als gevolg van het Britse lidmaatschap werd de Gemeenschap met haar dilemma geconfronteerd, nog temeer toen Margaret Thatcher zich in 10 Downingstreet vestigde.

Dat gebeurde op een moment dat de financiële lasten van de Communautaire Agrarische Politiek (CAP) ondraaglijk dreigden te worden. In de golf van no nonsense-bezuinigingen die zich in de jaren tachtig over Europa uitstortten, konden de zwaar beschermde boeren niet buiten schot blijven. Aan de dubbele geldoverdracht aan de agrarische sector in de vorm van hoge prijzen en zware belastingen mocht het snoeimes niet voorbijgaan. Premier Thatcher ontging de theoretische schoonheid van het kostbare continentale bouwwerk en zij ontpopte zich als de aanjager van de onontkoombaar geworden sanering.

De keerzijde van Europa's landbouwprotectionisme was de Europese deelname aan de opeenvolgende overlegrondes tot verruiming van de internationale handel. In het raam van de GATT (Overeenkomst over Tarieven en Handel) voltrokken zich de Dillonronde, de Kennedyronde en de Tokioronde. Hier liet de EG zich van haar "open' zijde zien. Maar toen in de thans lopende Uruguayronde ook verruiming van de handel in landbouwprodukten fundamenteel aan de orde werd gesteld, moest Europa wel haar ware gezicht tonen. De CAP dreigde immers speelbal te worden van voor Brussel onbeheersbare internationale krachten, en dat was weer iets anders dan een beperkte vermindering van subsidiëring en produktie naar eigen inzichten.

Lange tijd heeft het Gemeenschappelijke front stand gehouden. Een uitstekend verweer tegen verwijten van protectionisme leek aanvankelijk de andere partijen van hetzelfde te beschuldigen. Maar steeds verfijnder berekeningen toonden aan dat de CAP toch wel een overtreffende trap van dit verschijnsel mocht worden genoemd. Geleidelijk aan begon het front te verbrokkelen. De Britten hadden zich de continentale argumenten toch al niet eigen weten te maken, maar ook de Duitsers kwamen langzamerhand tot de conclusie dat de gemeenschappelijke landbouwpolitiek niet alleen duur bleef, maar ook steeds meer een risico werd voor de industriële afzet buiten de Gemeenschap. Toen de Amerikanen, als belangrijkste tegenspelers, ten slotte de EG met een handelsoorlog dreigden, bleef Frankrijk alleen en verslagen achter. De Atlantische controverse was gedegenereerd tot een keihard intern Europees conflict. De Frans-Duitse kongsie die sinds de jaren vijftig stand had gehouden, was verbroken.

Zo ontvalt de Gemeenschap wat gedurende tientallen jaren haar belangrijkste bindmiddel is geweest, terwijl de sprong voorwaarts die zij had willen maken, halverwege moet worden afgebroken. Dagelijks wordt een nieuw onderwerp gemeld dat door een of meer van de lidstaten als splijtzwam wordt geplaatst. Is het niet het Britse uitstel van de ratificatie van het Verdrag van Maastricht, dan is het wel het Franse dreigement het landbouwakkoord met de Verenigde Staten met een (indirect) veto te treffen - zodat vervolgens de hele GATT-ronde moet vastlopen. De stormvloeden die het EMS overspoelden, schijnen een soort natuurverschijnsel, maar de kans om ze met tijdige valuta-aanpassingen af te weren is op nationale zelfgenoegzaamheid van diverse deelnemers stukgeslagen. Het overleg over de nieuwe EG-begroting strandde deze week nog voor het begonnen was op de onwil van de Britse voorzitter om van achterhaalde privileges eindelijk eens afstand te doen.

Zo valt Europa in zijn delen uiteen.

Het Verenigd Koninkrijk is mentaal altijd buiten de Gemeenschap blijven staan. De open instelling van de Britten ten opzichte van de rest van de wereld had een nuttig tegenwicht kunnen vormen tegen de enghartigheid van de Fransen, maar dan hadden de opeenvolgende Londense regeringen het wantrouwen van Parijs moeten overwinnen. Premier Major was op de goede weg en in Maastricht werd hij ruim tegemoetgekomen, ook door Mitterrand. Maar de Conservatieve achterban in het Lagerhuis heeft de concessies van de Europese partners slechts belachelijk gemaakt en Major had daartegen geen verweer.

De Fransen zijn zich al die jaren blijven vergapen aan het historische zelfbeeld van een welvarende landbouweconomie die als vanzelf politieke en militaire macht schept. Het land heeft zich in de jaren tachtig onder de socialisten en evenzeer ten tijde van de cohabitatie met indrukwekkend resultaat aan ingrijpende sociaal-economische aanpassingen onderworpen, maar mentaal heeft het geen afscheid genomen van leerstellingen uit voorbije eeuwen. Agrarische en militaire zelfvoorziening staan in het middelpunt met langszij een industrie die in de functie van wapensmederij de nationale soevereiniteit in stand helpt houden. Een Nederlander en een Ier bereikten in Washington een landbouwakkoord dat er om allerlei redenen zijn mag. Maar niet in de termen die alleen Fransen verstaan.

De derde is Duitsland. Kanselier Kohl poogt nog steeds zo bewonderenswaardig op te roeien tegen de stroom van de Duitse verzelfstandiging. Maar de omgewoelde (West)europese bodem zal het Duitse anker niet lang meer vast houden. De EG dreigt op die manier aan eigen tegenstrijdigheid tenonder te gaan.