Directeur Monshouwer van nieuw fotografie-instituut: Ik wil breed publiek bereiken

ROTTERDAM, 26 NOV. “Ik ben blij verrast, want dit is een kans die zich voorlopig niet meer voordoet op het gebied van de fotografie”. De sollicitatieprocedure mag dan een “aanslag op zijn emoties” zijn geweest, Adriaan Monshouwer (41), directeur van het Canon Image Centre in Amsterdam, is gelukkig met zijn benoeming gisteren tot directeur van het Nederlands Instituut voor Fotografie in Rotterdam. Begin volgend jaar treedt hij aan en in de zomer moeten in het voormalige NDU-pand, vlakbij Museum Boymans-van Beuningen, de eerste activiteiten van dit landelijk instituut met een tentoonstelling op zo'n 500 vierkante meter wandruimte zichtbaar zijn.

Eén ding staat al vast: Het beleid zal in sterke mate afwijken van dat van de Stichting Perspektief in Rotterdam, de voorloper van het instituut, die al zo'n twaalf jaar op tentoonstellingen en in een tijdschrift de avantgarde presenteert. De "nieuwe' fotografie vormt straks niet langer het hoofdbestanddeel, maar een onderdeel van een breder beleid.

Monshouwer: “Het instituut moet gedragen worden door allen die zich met fotografie bezighouden, door fotografen, het fotografisch bedrijfsleven, bestaande instellingen, opdrachtgevers en consumenten, en dat vereist een brede, open en warme opstelling. Dat heb ik bij mijn sollicitatie naar voren gebracht. Denk nu niet dat er bij het bestuur of bij WVC al een concreet, eenduidig beleidsplan bestaat. Naast het fysieke bouwen aan het nieuwe onderkomen zal met de meest uiteenlopende mensen en instellingen ook aan een beleid gebouwd moeten worden. Niemand zal in elk geval vooraf in de kou staan”.

Adriaan Monshouwer (41), die in Rotterdam de Academie van Beeldende Kunsten volgde en onder meer het videocentrum van de Rotterdamse Kunststichting oprichtte, heeft vanaf 1985 bij Canon een gevarieerd fotografisch aanbod gebracht. Dit jaar stonden zowel de jonge, Belgische Magnum-fotograaf Carl de Keyzer op het programma als de 19de-eeuwse grondlegger van de sociale documentaire-fotografie, Lewis Hine. Ook de enscenerende fotograaf Rommert Boonstra en fotojournalist Daniel Koning behoren tot de exposanten.

De zogenaamde kunstfotografie komt er karig vanaf. “Foto's moeten een maatschappelijke relevantie in zich dragen, dus naast vorm ook inhoud bieden. Een fotograaf moet proberen iets te vertellen, daar hecht ik aan. Dat blijkt uit het aanbod bij Canon. Straks moet ik daar afstand van nemen. Ik zal me laten leiden door het krachtenveld binnen de fotografische gemeenschap, door ideeën en opvattingen van het bestuur en de gemeente Rotterdam, door het veld van fotografen en door mijn eigen opvattingen. Het wordt een consensus-beleid, waarbij de belangen van velen gediend moeten worden.”

Monshouwer maakte aanvankelijk, vooral voor de VPRO, sociaal-politieke documentaires - over de Koerden in Irak, de guerilla's in El Salvador en het Nederlandse Unifil-leger in Libanon. In 1982 stapte hij als "visual editor' over naar de Nieuwe Revu. “Na jaren van hard werken had ik grote behoefte aan rust en reflectie. Dat is één kant van deze overstap. Door de moeizame financiering van filmprojecten en de geringe belangstelling van de omroep voor documentaires, kon ik ook steeds minder enthousiasme opbrengen. Fotografie is in tegenstelling tot film een democratisch medium, er gaat veel minder geld in om, en het is relatief eenvoudiger.”

Collectievorming krijgt bij het nieuwe instituut geen prioriteit. Gezien de bestaande verzamelingen in het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Prentenkabinet in Leiden acht Monshouwer collectioneren vooralsnog niet zinvol. Hij vindt het jammer, dat het Stedelijk Museum nog niet die push heeft kunnen geven die sterk had kunnen bijdragen tot de acceptatie van de fotografie als kunstvorm. Daartoe ontbreekt een structureel fotografie-beleid, vindt Monshouwer. Aan datzelfde euvel lijden de buitenlandse presentaties van Nederlandse fotografie, zegt hij. In Londen, Parijs en in Duitsland komt de nationale fotografie op een museaal niveau beter uit de verf. Ondanks buitenlandse waardering, ontbreken volgens hem Nederlandse fotografen te vaak op de internationale podia.

Over de recente Fotografie Biënnale in Rotterdam is Monshouwer niet onverdeeld enthousiast. De presentatie liet te wensen over en de inhoudelijke herhalingen zorgden voor nogal wat saaiheid. Dat moet anders: “Ik zal wat voorzichtiger en behoudender zijn. De Biënnale moet veranderen in een toegankelijk podium met veel zuigkracht. Ik wil een groot publiek met fotografie in aanraking brengen. Je moet nu over nogal wat voorkennis beschikken om het aanbod te begrijpen. Door een historisch perspectief te bieden en informatie te verstrekken zal er meer begrip gekweekt worden voor de fotografie. Met een budget van acht ton moet het toch mogelijk zijn idealisme en realisme aan elkaar te koppelen”.

Is de ruim negen ton, verstrekt door WVC en de gemeente Rotterdam, voldoende als werkkapitaal? Het nieuwe vormgevingsinstituut in Amsterdam krijgt straks drie miljoen gulden op zak. Monshouwer: “Het kan altijd beter. Maar WVC en de gemeente Rotterdam willen duidelijk hun schouders onder het instituut zetten. Staat het eenmaal goed op poten en is het in brede kring geaccepteerd, dan zal er ook meer geld komen, daar twijfel ik niet aan”. En als het instituut zich over de grenzen kan gaan profileren, dan zal ook het bedrijfsleven over de brug komen, voorspelt Monshouwer, zodat de achterstand daar kan worden ingehaald.

Het instituut is niet van plan kannibalisme te plegen, activiteiten van anderen af te snoepen, belooft hij. Opmerkelijk is dat er ondanks de beperkte middelen en geringe sponsoring toch zoveel fotografie-festivals worden georganiseerd: in Naarden, in Groningen, in Enschede, in Rotterdam. “Het instituut kan dergelijke evenementen ondersteunen, kan onderzoeken in hoeverre er zorgvuldiger en effectiever met geld en talent kan worden omgesprongen. Niet om iets om zeep te helpen, maar om de kwaliteit te bevorderen.

“Toch blijft het de eerste taak van het instituut om de fotografie te emanciperen, om respect te kweken voor de makers, die straks voor informatie, adviezen en bemiddeling bij het instituut op de juiste plaats zijn. Goede fotografen horen op hetzelfde niveau thuis als goede beeldende kunstenaars. Een fotojournalist moet ook hoofdredacteur kunnen worden”.