Bijbelse personages in het gekkenhuis

A divina comédia. Regie: Manoel de Oliveira. Met: Maria de Medeiros, Luis Miguel Cintra, Miguel Guilherme, Maria João Pires. In: Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

Om de gecompliceerde dialogen in de films van Manoel de Oliveira (Porto, 1908) te kunnen duiden of zelfs maar begrijpen, dient men over een gedegen kennis van de filosofie, de wereldliteratuur, de christelijke religie en de Portugese geschiedenis te beschikken. Enig inzicht in de semiotiek en affiniteit met het oeuvre van Straub, Dreyer en Godard kunnen goede diensten verrichten; het ligt voor de hand dat vooral in Franse filmtijdschriften De Oliveira bejubeld wordt als moderne, post-moderne of post-post-moderne grootmeester. De bewoordingen waarin die lof gegoten pleegt te worden, doen me wel eens twijfelen of ik dezelfde film gezien heb. Ook in het laatste nummer van Skrien doet Jos de Putter een poging De Oliveira's laatste film, A divina comédia, te analyseren: “De Oliveira werkt niet zozeer met opposities als wel met cumulatie, die ook nog eens eclectisch van aard is. Als gevolg van die verteltechniek is het te duiden gebied permanent in beweging, zwevend.”

Op gevaar af heel dom te zijn, geloof ik dat de film (die met Dantes Divina commedia slechts de titel gemeen heeft) gaat over een gekkenhuis, waarvan de meeste bewoners menen bijbelse figuren of romanpersonages van Dostojevksi te zijn. Een enkeling waant zich slechts profeet of agnosticus. De directeur van het gekkenhuis laat ze begaan, alvorens zichzelf op te knopen, want hij gelooft in God noch in de mensheid.

De film, die geen enkele camerabeweging bevat en alleen in statische tableaus de personages hun monologen laat uitspreken, begint met de zondeval. Gadegeslagen door de andere bewoners achter de ruiten, snoepen Adam en Eva in de tuin van de appel. Dan moeten ze een kamerjas aan doen en scharen zich met elf anderen, onder wie Jezus, Maria, Lazarus en Martha, die mooi piano speelt, aan het avondmaal.

Raskolnikov vermoordt een oude vrouw met een bijl en biecht zijn misdaad op aan de prostituée Sonja. Ivan Karamazov komt aanrijden op de motorfiets en wil zijn broer Aljosja graag spreken over de ontmoeting tussen God en de Grootinquisiteur. Eva denkt inmiddels dat ze de heilige Theresa is en de agnost trekt alle vroomheid in het belachelijke. Een bijrol is weggelegd voor een karikaturale Jood, die voor Farizeeër door moet gaan.

Uiteraard is dit alles voer voor exegeten van duistere filmkunst. Het lijkt in de meer tot de kijker dan tot de andere personages gerichte teksten vaak te draaien om het conflict tussen geloof en ongeloof, hetgeen de aanwezigheid van Dostojevski (en Nietzsche) als aartsvaders van het moderne atheïsme in dit bijbelse gezelschap zou kunnen verklaren. De Oliveira lijkt het einde van het geloof te betreuren (hij maakte al eens een acht uur durende film naar Le soulier de satin van de katholieke toneelschrijver Paul Claudel), maar moet ook niets hebben van geïnstitutionaliseerde religies. Op een gegeven moment wordt er geroepen dat zowel de christenen als de islamieten de goden willen vernietigen. Of heeft de ondertitelaar gelijk, als hij in die zin het woord "goden' door "joden' vervangt?

Tegen de tijd dat de heilige geest in de bekende verschijningsvorm van een duif de agnost onder heeft gepoept, heb ik de moed al opgegeven. Dit is niet het soort cinema, waar ik warm voor loop, vrees ik, ook al is de hemelbestormende humor van De Oliveira in A divina comédia relatief beter verteerbaar dan zijn plechtige enscenering van de letterlijke teksten van Claudel. Ook de Goldberg-variaties worden heel mooi gespeeld door concertpianiste Maria João Pires. De Oliveira's muzikaliteit is misschien wel voor een leek het meest toegankelijke aspect van zijn werk, zoals al bleek in de opera buffa Os canibais.