Archeologische almanak

Archeologische almanak: Wie, wat en waar in de Nederlandse Archeologie. Archeologisch Informatie Centrum, Leiden. 1992. Uniepers BV. Abcoude. Prijs ƒ 24,90. ISBN 90 6825 115 5.

Op wereldschaal is Nederland klein, is de Nederlandse wetenschappelijke wereld minuscuul en het wereldje van een Nederlandse wetenschap microscopisch. Overzichtelijk daarom? Nauwelijks. Omvang en overzichtelijkheid onderhouden geen betrekkingen. Neem de archeologie.

Vandaag de dag verdient slechts een handjevol professionele archeologen een boterham in deze discipline. Maar zij oefenen hun vak uit in vijfentwintig gemeentelijke diensten en rijksdiensten, tien universitaire instituten, een aantal musea èn in een brei van verschillend gerichte samenwerkingsverbanden, verenigingen, stichtingen en koepelorganisaties. Daaromheen cirkelen, ook weer bijeengebracht in samenwerkingsverbanden, verenigingen, stichtingen en koepelorganisaties, talloze mensen die zich uit liefhebberij met de tastbare bewijzen van het verleden bezighouden. Dit alles onder een samenstel van wetten, regelingen en financiële condities dat nu niet direct van coherentie kan worden beticht.

Sinds de dagen van Reuvens in de vorige eeuw is het zo gegroeid, dit doolhof. Meestal waren het goede bedoelingen die de uitgroei richting en inhoud gaven, dikwijls wetenschappelijke overwegingen. Maar niets menselijks is archeologen vreemd en dus kwam het initiatief voor weer een nieuw instituut, voor weer een nieuwe studierichting, voor weer een nieuw dwarsverband soms ook voort uit statuszoekerij, kinnesinne of hobbyisme. En ook ons koloniale verleden en museale wedijver zijn belangrijke factoren geweest in de ontwikkeling van deze "diversiteit'.

De diversiteit mag dan onder druk van steeds schaarser wordende middelen veren hebben gelaten, het Nederlandse archeologische bedrijf is nog onveranderlijk een doolhof. Maar nu is er dan een wegwijzer: de eerste Archeologische almanak. Het is een uitgave van het Archeologische Informatie Centrum (een joint-venture van de Stichting voor de Nederlandse Archeologie en het Rijksmuseum van Oudheden). Een dik jaar is er in de samenstelling gaan zitten. Naast een inleiding waarin onder andere de vijftien meest aan archeologen gestelde vragen (en lichtelijk baldadige antwoorden) aan de orde komen, bestaat de almanak uit drie delen. Het eerste deel beschrijft, van wetgeving tot kastelenbeheer, het bestel van de Nederlandse archeologie, inclusief - met naam, toenaam en adres - àlle overheids-, onderzoeks- en onderwijsinstellingen die op dit terrein aktief zijn. Deel twee is een opsomming per stad of dorp van iedereen die, en alles wat, met archeologie te maken heeft. Voor wie snel iets moet weten: een regeling, de inhoud van een begrip, een naam, staan vijf registers ter beschikking. Ze vormen samen het derde deel.

De inhoud van de Archeologische Almanak lijkt me afdoende compleet. Op één ding na. Er werd geen handzaam overzicht opgenomen van alle onderzoek (te velde, in dep^ot en studeerkamer) waarbij Nederlandse archeologen betrokken zijn. Dat is jammer.

Steekproeven met de registers leren dat die werken. Ook al word je van, ik noem maar iets, de ingang "dendrochronologie' niet echt veel wijzer en stuurt bijvoorbeeld "metaal' je via Boymans-van Beuningen, Het Hoogeland en 't Oude Huis het bos in als je verwacht aan de weet te komen wie zich met onderzoek naar metaal-resten bezighoudt.

Maar al met al is de almanak een prima wegwijzer in het doolhof van archeologisch Nederland. Hij had er natuurlijk al veel eerder moeten zijn. Nemen we 1818 als beginpunt voor het vaderlandse oudheidkundige onderzoek - in dat jaar werd Reuvens benoemd tot buitengewoon hoogleraar archeologie, de eerste in de wereld - dan heeft het 174 jaar geduurd voor een eigen "who is who' een feit werd. Dat is, zelfs in de archeologische publicatie-traditie, aan de lange kant. Enfin, beter laat dan nooit.