Tulpen voor Turkije

Na driehonderd jaar zullen er volgend voorjaar weer tulpen bloeien in de tuin van het Topkapi-paleis in Istanbul. De sociaal-democratische burgemeester van de Turkse havenplaats, Nuretin Sozen, stak vorige week eigenhandig de eerste _ uit Nederland afkomstige _ bollen in de grond, samen met directeur Ahmet Mendes van het Topkapi-paleis, dat nu dienst doet als museum. In Volendammerkostuum gestoken Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen gaven de ceremonie, waarbij in totaal veertigduizend tulpebollen aan de gemeente Istanbul werden aangeboden, een beetje het karakter van een moderne handelsmissie. Maar muziek en gezang van janitsaren deden de oude tijden herleven op deze driehoek waar de Gouden Hoorn, de Bosporus en de Zee van Marmara bij elkaar komen.

Die oude tijden markeren een periode van bloei en verval, niet alleen van het Ottomaanse Rijk, maar ook van de tulp. In de zestiende eeuw was de tulp via Perzie en Turkije naar Nederland gekomen, waar de kweek van tulpebollen voortvarend werd aangepakt. Welgestelde Turken importeerden de inmiddels onbetaalbare bollen anderhalve eeuw later weer uit Nederland, waardoor de tulp in Turkije uitgroeide tot een symbool van ongebreidelde spilzucht. Sultan Ahmed de Derde (1703-1730) gaf voor zijn jaarlijkse tulpenfeesten zoveel geld uit aan de import van tulpebollen dat hij er uiteindelijk aan ten onder ging. Maar in Ahmeds hoogtijdagen was de waarde van een tulpebol dan ook gelijk aan die van vijf panden aan de duurste gracht van Amsterdam.

Behalve siergewas en statussymbool voor de welgestelden in het Ottomaanse Rijk symboliseert de tulp ook de opening naar het Westen. De import van tulpebollen wordt wel als het begin aangemerkt van de modernisering naar Westers voorbeeld, die de hervormer Ataturk bij de oprichting van de Turkse republiek in 1923 tot nationale richtlijn verhief.

Voor de deze maand officieel opgerichte Nederlands-Turkse Vriendschapvereniging in Istanbul was er dus alle reden om via tulpen een nieuwe brug te slaan tussen de twee landen. Als de 40.000 tulpen in het voorjaar in Istanbul in bloei staan, wordt er een festival gehouden met als hoogtepunt de tentoonstelling De tulp, een symbool van twee naties in het Ibrahim Pasa-museum in Istanbul waaraan wordt meegewerkt door het Rijksmuseum en het Topkapi-museum. Het is de bedoeling dat aan de hand van keramiek, oude boeken, schilderijen en textiel uit publieke en private collecties in Nederland en Turkije de tulp in een nieuw, meer kunstzinnig licht wordt gezet. Als blijvend document wordt een catalogus samengesteld, waarin de culturele en de biologische geschiedenis van de tulp uiteen wordt gezet.

Bovendien wordt in de vorm van een ecologisch symposium aandacht besteed aan de wilde bloemen in Turkije, waar ook de tulp in feite nog steeds deel van uitmaakt. Het is nog maar enkele jaren geleden dat Britse milieuactivisten een internationale campagne begonnen om de roofbouw van de rijke Turkse flora aan de kaak te stellen. In het wild gerooide tulpebollen werden door dorpsbewoners aan tussenhandelaren verkocht, die ze met gigantische winsten afzetten op de internationale markt. Een ontwikkeling die de Nederlandse bloembollenexporteurs veel geld maar ook een slechte naam bezorgde. Een oplossing voor het probleem werd gevonden in een samenwerkingsproject met bollenkwekers in Turkije, waardoor de internationale handel niet langer wordt ondermijnd en de Turkse flora niet langer wordt geplunderd.

Ook de Turkse jeugd wordt bij het tulpenfestival betrokken. In de vorm van essays en tekeningen, waarvan een deel wordt gepubliceerd in een boekwerkje, kunnen zij hun licht laten schijnen over het symbool dat de twee naties op meer dan een manier aan elkaar bindt. Hopelijk zijn zij wat origineler dan burgemeester Sozen, die kakelde dat het opbloeien van de tulp, met een onderbreking van driehonderd jaar, in zijn oorspronkelijke grond de vriendschap en vrede zal bevorderen tussen de volkeren van Nederland en Turkije.