Produktie Japanse auto's in oktober 10 procent gedaald

TOKIO, 25 NOV. De grote Japanse autoconcerns hebben in oktober opnieuw rake klappen gekregen. De produktie van personenauto's tuimelde met 10,1 procent ten opzichte van dezelfde maand in 1991. Daarmee is de hoop de bodem in geslagen dat in september een eind was gekomen aan de voortdurend forse produktiedalingen.

In september steeg de produktie licht met 3,3 procent, maar die stijging bleek later een "correctie' te zijn op de "vakantiedaling' van 11,2 procent in augustus.

De grote Japanse autofabrikanten als Toyota, Nissan, Mazda, Mitsubishi en Honda hebben tijdens de bubble-economie aan het eind van de jaren '80 hun produktiecapaciteit expansief opgevoerd. Het was de tijd dat investeringen spotgoedkoop leken, dank zij de schier oneindige stijging van de effectenkoersen, die diende als hefboom voor riskante financieringen. Nu de zeepbel van de speculatie uiteen is gespat en de economische groei sterk terugloopt, zitten de autoconcerns opgescheept met een reusachtige overcapaciteit en excessief hoge afschrijvingskosten. Nissan, Japans tweede autoconcern en nummer vier in de wereld, maakt dit jaar zelfs verlies - voor het eerst sinds zijn notering aan de effectenbeurs in de jaren vijftig.

Niet alleen bij personenauto's, ook bij vrachtwagens deed zich in oktober een forse produktiedaling voor (15,4 procent), dat was voor de vijftiende achtereenvolgende maand. Daarentegen steeg de produktie van autobussen (met 32,6 procent). Maar dat nam niet weg dat de totale produktie van voertuigen duikelde met 11,4 procent.

Uiteraard vindt deze daling haar weerspiegeling in de afzet. De totale verkoop van voertuigen in Japan verminderde in oktober dan ook met 13 procent. Minder slecht was de afzet op de exportmarkten. De export daalde met ongeveer twee procent.

Toch daalt het Japanse marktaandeel in zowel Amerika als Europa. Terwijl in de VS in de eerste negen maanden van dit kalenderjaar de Amerikaanse fabrikanten 1,8 procent meer voertuigen verkochten, verkochten de Japanse fabrikanten (exporteurs en plaatselijke Japanse producenten tesamen) er 3,1 procent minder (2,37 miljoen). Toyota, nummer drie in de wereld, was de enige Japanse fabrikant die zijn verkoop in de VS zag stijgen. Nissan boekte een verkoopverlies van 4,3 procent en Honda van 5,6 procent.

In Europa liep het Japanse marktaandeel van personenauto's in deze periode terug tot 11,96 procent tegenover 12,63 procent in de eerste negen maanden van 1991. Vooral de daling in Duitsland was dramatisch. Honda was de enige Japanse autofabrikant die zijn verkoop in Europa zag stijgen (met 3,2 procent). Nissan, dat meer auto's in Europa verkoopt dan welke andere Japanse autofabrikant dan ook, boekte een verkoopverlies van 5,4 procent.

Een lichtpuntje voor Nissan is dat een van zijn modellen, de Micra, die wordt gemaakt in Groot-Brittannië, uitgeroepen is tot Europees auto van het jaar. Dit model, met een kleine motorinhoud van (naar keuze) 1000 en 1300 cc, wordt in Japan als de March op de markt gebracht. Het is voor het eerst dat een Japanse auto deze Europese prijs in de wacht sleepte.