Justitie: fiscus handelt raar in zaak Koffeman

UTRECHT, 25 NOV. Bij het openbaar ministerie bestaat groot ongenoegen over het feit dat het zich door “wispelturig handelen van de fiscus” gedwongen heeft gezien de vervolging van het Tweede-Kamerlid G. Koffeman (CDA) vorige week plotseling te staken.

De hoofdofficier van justitie in Utrecht, R.B.M. Berger, zegt “zeer verbaasd” te zijn dat de inspecteur van de belastingdienst particulieren in Den Haag vlak voor het dienen van het hoger beroep tegen Koffeman zijn standpunt over laakbaar handelen van het Kamerlid heeft gewijzigd. “Voor de rechtbank heeft de inspecteur onder ede verklaard dat Koffeman neveninkomsten had verzwegen, maar begin deze maand liet hij het openbaar ministerie onverhoeds weten het standpunt van het Kamerlid ook verdedigbaar te achten. Toen was het voor ons opeens, pats boem, einde oefening.”

Het stoort Berger ook dat uit de motivering van de inspecteur in het geheel niet blijkt waarom de fiscus opeens is teruggekomen van de mening dat Koffeman een bedrag van 27.000 gulden, dat hij van zijn voormalige werkgever de politiebond ACP had ontvangen, gedeeltelijk in mindering had moeten brengen op zijn schadeloostelling die hij als Kamerlid ontvangt. “De verklaring van de inspecteur is vlees noch vis. Hij zegt eigenlijk: ik sta nog steeds achter mijn besluit, maar ik draai de consequenties terug. En dat uitgerekend in een zaak die door ons met de grootste zorgvuldigheid is begonnen. Want je ziet heus wel de belangen die er mee zijn gemoeid omdat een Kamerlid in een glazen huis staat. Dit was echt een zaak die we door wilden zetten in hoger beroep, en dan trekt de fiscus opeens de bodem onder de zaak weg.”

Het Tweede-Kamerlid J. van Rey (VVD) zegt de kwestie Koffeman volgende week aan de orde te willen stellen in de Kamercommissie van financiën. Hij zal om nadere schriftelijke uitleg vragen.

Pag.3: Fiscus handelde geheel zelfstandig

Berger zegt zich “menselijkerwijs af te vragen wat de inspecteur heeft bewogen” maar zich als hoofdofficier van justitie “tot de feiten te willen beperken”. Volgens een woordvoerder van de centrale belastingdienst is de inspecteur op zijn aanvankelijke standpunt is teruggekeerd omdat hij nadere inzichten zou hebben opgedaan over de handelwijze van Koffeman na de behandeling van de strafzaak in Utrecht. “De beslissing om Koffeman te korten op zijn schadeloosstelling was genomen na overleg op het departement maar het besluit om op dat standpunt terug te keren is geheel zelfstandig door de inspecteur genomen”, aldus de woordvoerder. Hij beklemtoont dat Koffeman “zuiver” is behandeld “gelijk iedere belastingplichtige”.

Kamerlid Van Rey stelt voor dat in de toekomst alle Kamerleden volledig door dezelfde inspecteur van belastingen moeten worden behandeld om te voorkomen dat per regio afwijkende beslissingen worden genomen. Nu wordt alleen over bijverdiensten van Kamerleden geoordeeld door de inspectie Den Haag.

Het Tweede Kamerlid G. Ybema (D66) zegt dat het met enige regelmaat voorkomt dat Justitie en de Belastingdienst van mening verschillen over de interpretatie van regels. Hij zegt te hopen dat de staatssecretaris van financiën Van Amelsvoort (CDA) conclusies trekt uit deze zaak voor het interne beleid van de fiscus. “Want ik kan mij moeilijk voorstellen dat de zaak-Koffeman door de inspectie niet vooraf uitvoerig besproken is met de staatssecretaris gelet op de politieke gevoeligheid die spelen”.

Koffeman verklaart het optreden van justitie “heel bedenkelijk” te vinden. “Het is heel tendentieus zoals het openbaar ministerie de zaak procedureel als ook inhoudelijk afmaakt”.

Justitie verweet Koffeman dat hij in een schriftelijke opgave aan de belastingdienst had verzwegen dat hij gedurende de eerste vier maanden van zijn Kamerlidmaatschap nog salaris voor werk bij de ACP had ontvangen. Volgens een voor Kamerleden geldende wettelijke regeling hadden die op de vergoeding voor het Kamerlidmaatschap moeten worden gekort. Koffeman heeft steeds gesteld dat hij alleen een “gouden handdruk” had ontvangen voor in het verleden verrichte werkzaamheden voor de politiebond. De Utrechtse rechtbank stelde hem in maart 1992 in het gelijk. Het hoger beroep, waartoe in gemeen overleg tussen de hoofdofficier van justitie in Utrecht en de procureur-generaal in Amsterdam mr. R.J.C. Graaf van Randwijck was besloten, had in december moeten dienen.

Koffeman zal van justitie schadevergoeding eisen. Hij zegt in ieder geval de gemaakte kosten voor het inhuren van juridische bijstand, vergoed te willen krijgen. Het eisen van smartegeld overweegt hij niet. “Ik wil er geen slaatje uit slaan”, aldus Koffeman.