Hollandse Klaas

Op een dag zit Klaas hier in de keuken, met een vriendin. Hij heeft zijn camper in mijn tuin geparkeerd. Hij durft niet verder, de motor doet raar.

Ach, een op en top Hollandse Klaas, goeiig, met een groot lijf en een brede lach. Blijf rustig zitten, zeg ik.

En hij blijft zitten. De enige keer dat hij even de tuin ingaat loopt hij meteen een manshoge, honderdjarige olijfoliekruik om, die aan diggels valt. Hij staat er naar te kijken en krabt zich op het hoofd.

Blijf alsjeblieft zitten, zeg ik. En hij zit weer, goeiig en breed lachend. Hollands welvaren.

Toch is hij niet helemaal gezond. Om de drie maanden moet hij bij zijn dokter een prik halen. Ik kom daar achter, als zijn vriendin hem na een week zitten op het hart drukt dat hij hoognodig naar Nederland moet voor de periodieke prik.

We brengen Klaas naar de bus en duwen hem erin. Drie dagen heen, een doktersvisite, drie dagen terug: over een week kan Klaas weer hier zijn.

Na tien dagen belt zijn vriendin hem op. Mijn grootmoeder heeft de griep, zegt Klaas.

Een week later belt zijn vriendin hem weer op. De gootsteen lekt, zegt Klaas, ik moet wachten op de man van Bouw- en Woningtoezicht.

Weer een week later belt de vriendin opnieuw. De man van Bouw- en Woningtoezicht heeft de griep, zegt Klaas.

De vriendin leent, ten einde raad, geld van me en keert in haar eentje met het vliegtuig naar Nederland terug.

Drie weken na haar vertrek, op een maandagmorgen om tien uur, zit Klaas onverwachts weer in de keuken. Zijn rugzak staat naast hem.

Hij komt de camper halen. Hij kijkt goeiig en lacht breed.

Maar eerst moet de camper voor een grondige revisie naar de garage.

Zou je niet eens naar de garage gaan? zeg ik woensdagmorgen, als ik hem nog steeds in de keuken zie zitten.

In de namiddag neem ik hem mee met de auto en zet hem af bij de garage. Daar kan hij een afspraak maken met de monteur.

Hoe is het met de afspraak? vraag ik hem twee dagen later, terwijl hij goeiig in de keuken zit en breed lacht.

Zou het niet beter zijn, vraagt hij, als ik het via de ANWB speel?

Het lijkt me een heel goed idee, zeg ik, dat je het via de ANWB speelt.

Waarna hij opnieuw op onnavolgbare wijze de kunst van het zitten beoefent.

Slechts één keer zie ik hem weer even in de tuin staan. Hij kijkt naar de gebroken kruik die er nog steeds ligt en krabt op zijn hoofd.

Ga alsjeblieft ergens zitten, zeg ik.

En hij zit. In de keuken. Drie volle dagen.

Zal ik de ANWB eens voor je bellen? zeg ik.

Dat lijkt me een goed idee, zegt hij. En hij lacht breed. En hij gaat door met zitten.

Veertien dagen later ziet de hemel neer op het ongebruikelijke tafereel dat ik een camper aan het poetsen ben. Ik heb zojuist afgerekend met een geheel besmeurde monteur, en draag jerrycans met benzine aan om de tank te vullen. Ik hang met ijzerdraad een vrolijke krans olijftakken op het koelrooster, en zet een jampot met vergeet-me-nietjes in het keukentje van de camper. Daarna lok ik een breed lachende Klaas naar de chauffeurszetel, waar hij goeiig op gaat zitten. Ik duw de camper aan tot de zweetdruppels me uit het hoofd springen, en wuif hem na op het pad.

Waarachtig, om de hoek verricht hij zijn eerste daad. Hij toetert. Het kan ten teken van afscheid zijn, het kan zijn omdat het een gevaarlijke hoek is, maar hij toetert.

Het doet me, daar op het pad, innig goed te weten dat de Nederlandse ondernemingsgeest nog niet is uitgestorven.

    • Gerrit Komrij