Het verleden belast onze relatie met Nederland niet

De Oostenrijkse president, THOMAS KLESTIL, die eerder dit jaar Kurt Waldheim opvolgde, is bezig met een inhaalmanoevre. Zijn voorganger was wegens zijn verleden in een groot aantal landen niet welkom. In een hoog tempo probeert de oud-diplomaat nu de Oostenrijkse achterstand in te halen. Morgen bezoekt hij Nederland.

Nederland hoort bij de eerste tien landen die u sinds uw beëdiging als bondspresident bezoekt. Waarom?

Tijdens de verkiezingscampagne heb ik beloofd zeer snel de buurstaten en die landen die betrokken zijn bij beslissingen over Oostenrijks toekomst te bezoeken, en dan geen kostbare staatsvisites, maar korte werkbezoeken. Acht heb ik er al gebracht, vaak niet eens aan de hoofdsteden, maar soms aan grensgebieden. Zo heb ik de Duitse bondspresident Von Weizsäcker aan het Bodenmeer ontmoet.

Holland behoort voor ons tot de belangrijke Europese kernlanden, waarmee wij op vele gebieden vriendschappelijke betrekkingen onderhouden. Voor mij gaat het vooral om de politieke kant van de naar ik hoop gemeenschappelijke weg in het Europa van de toekomst. Ik zie de uitnodiging van koningin Beatrix als een vriendelijk gebaar tegenover de nieuwe Oostenrijkse president en het Oostenrijkse volk. Zij schept bovendien de gelegenheid om onze visie op de toetreding tot de EG uiteen te zetten.

Er dreigt nu vertraging door de problemen met het verdrag van Maastricht en het junctim tussen de ratificatie van dat verdrag en de toetreding van nieuwe staten, waartoe de EG-landen in Portugal hebben besloten. Oostenrijk hoopt desondanks volgend jaar zo snel mogelijk onderhandelingen met de EG te kunnen beginnen. Of die eerst "explorerend' of "informeel' zullen worden genoemd moeten wij maar zien. Economisch en monetair is Oostenrijk al de facto in de EG geïntegreerd. Het gaat nu om de politieke kant.

Vice-kanselier Busek heeft in een gesprek eens gezegd dat, als "Maastricht' met zijn politieke en militaire aspecten ten slotte niet door zou gaan, dit de Oostenrijkse toetreding zou vergemakkelijken. Deelt u die mening?

Ik weet, en dat is ook de lijn van de regering, dat de basis voor de toetredingsonderhandelingen het perspectief van een politieke unie is in aansluiting op een economische en monetaire unie. Als wij zeggen: we willen in de EG, dan bedoelen wij de EG inclusief de verdragen van Maastricht.

Maar toen Oostenrijk zijn verzoek tot de toetreding indiende, waren er nog helemaal geen Maastrichtse Verdragen.

Toen was er nog een Oostblok, een IJzeren Gordijn, toen was er een andere wereld. Daarom hebben we toen ook nog verwezen naar onze neutraliteit, een verwijzing die in het latere Zweedse verzoek bijvoorbeeld al niet meer voorkwam. Ook in onze latere memoranda werd de neutraliteit niet meer genoemd. Mijn visie is, en dat heb ik ook tijdens mijn verkiezingscampagne gezegd toen al mijn adviseurs zeiden dat ik op die manier de verkiezingen zou verliezen, dat Oostenrijk zijn neutraliteitspolitiek moet aanvullen met solidariteitspolitiek. Solidariteit met de gemeenschap van waarden waartoe wij behoren: de gemeenschap van de pluralistische samenleving, van de parlementaire democratie en de mensenrechten, van de markteconomie.

Behalve uit solidariteitsoverwegingen hebt u ook betoogd dat Oostenrijk zijn klassieke neutraliteit zou moeten opgeven door “bedreigingsbeelden” die onze tijd kenmerken. Wat bedoelde u daarmee?

De militaire dreigingen van drie jaar geleden bestaan niet meer. Natuurlijk, er is de verschrikkelijke burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, die duidelijk maakt dat een land als Oostenrijk, zolang er geen Europees collectief veiligheidssysteem bestaat, zijn eigen defensie moet regelen. Maar de ware bedreigingen van nu die de mensen beangstigen zijn niet militair. Het zijn de stromen vluchtelingen; de mogelijkheid dat miljoenen zich in beweging zetten op zoek naar een beter leven, wat een volksverhuizing zou opleveren; de milieuvervuiling: wij hebben tonnen zwaveldioxyde in de lucht als de wind uit Tsjechoslowakije blaast; kernreactoren van het type Tsjernobyl staan vlak aan onze grens; georganiseerde misdaad die onze politie en die van Italië, Duitsland en Hongarije grote zorgen baart.

Het zijn allemaal bedreigingen, waartegen met neutraliteit niets te doen valt, waarbij solidariteit en samenwerking nodig zijn. Nemen we het vluchtelingenprobleem, het grootste politieke probleem van dit moment. Uit humanitaire overwegingen moeten we de mensen in Bosnië helpen, we kunnen hen niet laten verhongeren en er komt misschien een strenge winter aan. Aan de andere kant, als men iedereen maar toelaat die uit Bosnië wil vertrekken, steunt men in feite de etnische zuiveringspolitiek van het Servische leger en het eigen land raakt overbelast.

Een middenweg is hier moeilijk te vinden. We hebben in Oostenrijk nu al zeventigduizend Bosnische vluchtelingen. Alleen een Europese veiligheidsstructuur, die ver uitgaat boven het louter militaire, zal in de toekomst veiligheid kunnen verschaffen.

In Oostenrijk is vaak kritiek te horen op de hulpvaardigheid tegenover de vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië van andere Europese landen. Misschien Duitsland uitgezonderd. Deelt u die kritiek en betrekt u ook Nederland daarin?

Zwitserland en Oostenrijk proberen nu zo snel mogelijk een conferentie te organiseren van Europese ministers die voor vluchtelingenzaken verantwoordelijk zijn om voorbereid te zijn op een strenge winter en waardoor solidariteit ook tegenover het vluchtelingenprobleem sterker tot uitdrukking zou kunnen komen.

Het is waar, bij mijn buitenlandse bezoeken doe ik een beroep op bevriende regeringen meer hulp te geven aan de Bosnische vluchtelingen. Maar aan de andere kant besef ik dat elk land zijn "Bosnische vluchtelingen' heeft. Zo heeft Frankrijk de immigranten uit de Maghreb en zo heeft Holland veel immigranten gekregen uit zijn voormalige "betrekkingen'. Elk land heeft een probleem als buitenlanders in een te grote concentratie samenballen. Het Noord-Zuid-probleem, de arm-rijk-tegenstelling beleeft men dan thuis.

Oostenrijk doet per hoofd van de bevolking nu heel veel voor de Bosnische vluchtelingen. Maar het zou niet fair zijn te beweren dat wij nu alleen zo'n last te dragen hebben. Andere landen hebben door hun geografische positie en hun historische banden ook hun immigratie- en vluchtelingenproblemen. Het zijn historische erfenissen en die scheppen verantwoordelijkheden. Zo kan men natuurlijk ook zeggen dat Bosnië-Herzegovina een erfenis is van de Oostenrijkse geschiedenis. We hebben dan ook een bijzondere verantwoordelijkheid. Maar als er een strenge winter komt zullen volgens schattingen tienduizenden mensen een goed heenkomen zoeken en dan kan alleen Europese solidariteit het probleem de baas worden.

Ruim dertig jaar geleden, in 1961, bracht de Oostenrijkse bondspresident Schärf een officieel bezoek aan Nederland. Hoewel de oorlog toen maar zestien jaar in het verleden lag, werd geen woord gesproken over de rol van Oostenrijkers tijdens de bezetting tussen 1940 en 1945. Door de discussie over het oorlogsverleden van uw voorganger Waldheim zijn vele Nederlanders zich nu meer bewust van dat verleden dan toen. In 1987 werd er zelfs tegen bondskanselier Vranitzky gedemonstreerd toen hij in Amsterdam was voor de opening van het Joods Historisch Museum, waar Oostenrijk 2,5 miljoen schilling aan had bijgedragen. U bent er zich, neem ik aan, van bewust dat de Nederlands-Oostenrijkse verhoudingen nog altijd belast worden door het nazi-verleden. Bent u van plan tijdens uw bezoek aan Nederland op deze belasting in te gaan?

Ik ben mij bewust van onze geschiedenis. Ook van de donkere bladzijde in onze geschiedenis. Ik weet dat Oostenrijkers juist in Holland een zeer verschrikkelijke rol hebben gespeeld in de oorlog. Ik vind het zeer juist dat Vranitzky destijds naar Nederland is gegaan. Van hem en ook van mij zijn intussen uitspraken gevolgd waarin een heldere kijk op de historische feiten werd gegeven. Aan de andere kant hoor ik tot de nieuwe generatie waarvan gezegd kan worden dat zij de geschiedenis kent en een juist inzicht in de feiten heeft, maar ook dat zij de blik gericht heeft op een gezamenlijke toekomst met de andere Europese landen, waaronder Nederland.

Waar Nederlanders en Oostenrijkers elkaar ontmoet hebben was trouwens van een belasting door het verleden niet veel te merken. Collectieve verwijten aan het adres van het Oostenrijkse volk werden, voor zover mij bekend, nooit geuit. Ik heb Nederlanders, diplomaten maar ook toeristen, steeds als zeer Oostenrijk-vriendelijk ervaren. Maar als ik bij mijn bezoek aan Nederland met vragen over het verleden word geconfronteerd, zal ik openhartig mijn mening zeggen. Wel wil ik liever toekomstgericht zijn, meebouwen aan Europa, erop vertrouwend dat zulke verschrikkelijke tragedies als zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben afgespeeld niet meer zullen voorkomen.

Een deel van de publieke opinie in Nederland is kritisch tegenover Oostenrijk, omdat in Oostenrijk alle nazi-misdaden door Oostenrijkers begaan jarenlang onder de mat werden geveegd, anders dan in Duitsland. Toen bondspresident Heinemann een officieel bezoek aan Nederland bracht heeft hij zijn spijt betuigd over wat nazi-Duitsland in Nederland had aangericht. Toen uw voorganger dr. Schärf in 1961 in Nederland was, is over de misdaden door Oostenrijkse nazi's, zoals Seyss-Inquart, Kaltenbrunner, Rauter, in Nederland begaan niet gesproken. Is uw bezoek niet een goede gelegenheid om iets over dit verleden te zeggen?

Bondskanselier Vranitzky en ik zelf hebben duidelijke verklaringen afgelegd. Over mijn persoonlijke instelling kan ook geen twijfel bestaan. Ik heb meteen na ambstaanvaarding de betrekkingen met Israel hersteld, ik heb de synagoge in Leopoldstadt geopend. Ik wil het mij niet makkelijk maken door tegen u te zeggen: belt u toch ingenieur Wiesenthal even op, dan zult u over mijn persoon en mijn denkbeelden een duidelijke uitspraak te horen krijgen.

Maar het gaat niet om uw persoon.

Natuurlijk niet. Laat me dan zeggen: ik zal in Nederland vragen over het verleden en medewerking van Oostenrijkers aan de misdaden in de nazi-tijd niet ontwijken.

Vragen over misdaden van Oostenrijkers zal ik niet ontwijken