DE MINISTER VAN DEFENSIE; Koddig baasje dat gebukt gaat

Drie jaar oud is het kabinet Lubbers/Kok, tijd voor een tussenbalans. Vandaag het negende deel uit een serie evaluerende portretten: A.L. ter Beek, minister van defensie

A.L. TER BEEK (PvdA); Begroting 14,1 miljard Aantal ambtenaren: 109.700 Belangrijkste beleidsdocument: Prioriteitennota (eind dit jaar)

DEN HAAG, 25 NOV. De minister is een groot liefhebber van het voetbalspel. Dat wil zeggen: passief. Als het om actief sporten gaat, golft hij liever. Een sport zonder directe confrontatie met de tegenstander. Net wat hij nodig heeft, want doordeweeks wordt Relus ter Beek als back bij defensie al genoeg gepasseerd. Links, rechts en een enkele keer ook nog eens een vernederende bal tussen de benen door. Vrienden - want vijanden heeft hij niet - zeggen bijna allemaal: Relus heeft het moeilijk.

Een begroting waarop iedereen loert, morrende manschappen, oppositionele generaals. En vervreemd van zijn eigen partij. In Den Haag heet het dat zijn positie “weinig benijdenswaardig” is. Bedoeld wordt dat hij gewoon een zwak minister is. Personeel op zijn departement ziet hem als “een koddig baasje”. Gebrek aan leiderschap breekt hem op. Wat Ter Beek wil, is onduidelijk. Met gevolg dat dat anderen voor hem gaan denken: andere ministers, generaals, partijgenoten. Zo ontstaat het beeld van de gepasseerde verdediger. Van den Broek biedt buiten hem om Patriot-raketten aan Israel aan, Van den Broek zegt waar de grenzen voor bezuinigingen op defensie liggen, Pronk schetst de veranderende taak voor Defensie in een nieuwe wereldorde, Kok graait in zijn kas en de diverse krijgsmachtonderdelen voeren in het openbaar het debat over hun eigen toekomst. Ter Beek kan slechts proberen het debat bij te houden.

Zijn grootste probleem is dat hij iedereen te vriend wil houden en keuzes dus uitblijven. De totstandkoming van de defensienota, vorig voorjaar, was een lijdensweg. De generaal die het laatst met Ter Beek heeft gesproken vindt het meeste van zijn ideeën terug in de defensienota'', heette het op het departement. De minister aarzelt en anderen vullen het vacuüm.

Wat van de minister van defensie werd verwacht was hem bekend. Hij had immers in 1989 zelf meegeschreven aan de paragraaf buitenlands beleid, defensie en ontwikkelingssamenwerking van het Regeerakkoord. De Muur zou pas enkele dagen na zijn benoeming vallen - er was ten tijde van de kabinetsformatie nog slechts sprake van kruiende Oost-West verhoudingen - maar dat defensie geen permanente groeipost meer zou zijn, was toen al duidelijk. In de jaren 1990 en 1991 zou de defensie-begroting nog met 0,6 procent stijgen om de jaren daarna te worden bevroren. “In guldens wordt zo een structurele besparing van ruim 400 miljoen gulden per jaar bereikt”, aldus het regeerakkoord.

Het is iets anders gegaan. De besparingen zijn dit jaar al opgelopen tot structureel 1,5 miljard gulden en zullen aan het eind van de kabinetsperiode bijna drie miljard gulden per jaar bedragen. Tenminste, als Defensie dit voorjaar bij de volgende bezuinigingsronde niet opnieuw wordt aangeslagen. Iets dat onwaarschijnlijk is. Ja, Ter Beek heeft begin deze maand in het kabinet met zijn portefeuille gezwaaid toen hem wederom enkele bezuinigingen werden opgelegd. De collega-ministers kunnen nog steeds smakelijk over die bewuste zaterdagochtend vertellen: ach ja, die Relus, die met opstappen dreigde. Volgend jaar wordt zijn begroting met bijna tien procent gekort, waarmee hij bijna een vijfde deel van de bezuinigingen op de totale rijksbegroting voor zijn rekening neemt.

Als er één minister is die zich met recht kan vergelijken met een Hansje Brinker langs wiens vinger het water spuit, dan is het wel Ter Beek. Geen greep op de discussie, en geen leiding kunnen geven. Die kritiek blijft Ter Beek achtervolgen. Ook het debat over de dienstplicht liet hij uit zijn handen vallen. Het is nog maar tweeëneenhalf jaar geleden dat hij in een vraaggesprek met het IKV-blad verklaarde geen voorstander van afschaffing van de dienstplicht te zijn. “Het is geen financiële maar een principiële discussie. Ik ben er een groot voorstander van dat samenleving en krijgsmacht niet van elkaar vervreemden”.

De Tweede Kamer dacht er een jaar later anders over en eiste een onderzoek naar de mogelijkheden van afschaffing van de dienstplicht. De adviescommissie dienstplicht onder leiding van Ter Beeks' partijgenoot Meijer, leek met het pleidooi voor handhaving van de dienstplicht, zij het in gewijzigde vorm, een steun voor Ter Beek. De minister hulde zich bij de presentatie echter in stilzwijgen. De zaak moest in het kabinet worden bestudeerd. Met hetzelfde procedurele argument kapte hij een discussie in het wekelijkse overleg tussen PvdA-bewindslieden en de partijtop over de dienstplicht af. In het blad Opzij van oktober herhaalde hij zijn voorkeur voor de dienstplicht. Inmiddels is in het kabinet het principe-besluit gevallen de dienstplicht op termijn af te schaffen.

Een schipperende Ter Beek, op het ministerie van defensie zijn ze er inmiddels aan gewend geraakt. Dankbaar springt de militaire top in het gat dat hij telkens laat ontstaan. “Het tempo van veranderingen kent grenzen”, waarschuwde de bevelhebber der landstrijdkrachten, H. Couzy, twee weken geleden in een bijdrage aan deze krant. Hij was de zoveelste in een lange reeks die zijn minister via de media toesprak. Minstens zo pijnlijk was de ten tijde van de Golfcrisis in De Telegraaf geventileerde klacht van kapitein ter zee Van Gurp over de onduidelijke commandostructuur in het oorlogsgebied. Iedereen kwekt en iedereen lekt, wordt er wel van het ministerie van defensie gezegd. En telkens weer wijst de beschuldigende vinger richting ministerskamer waar besluiteloosheid overheerst.

Maar kan van Ter Beek in deze internationaal zo onzekere tijden iets anders verwacht worden? Hij zal wel moeten, zeggen de kritici met een verwijzing naar de situatie zoals die nu heerst op het departement. De baan die hij zo graag wilde, valt hem uiterst zwaar. Defensie slokt hem volledig op. In de discussie over de positie van de PvdA speelt hij geen enkele rol. Als hij al op het wekelijkse bewindspersonenoverleg van de PvdA komt, is hij te laat en vertrekt ook vaak weer eerder. Hij is minister van defensie, zeker geen PvdA-minister van defensie. Een tobbende minister die ook nog eens zit met 2.000 mensen die namens hem in crisisgebieden zoals Cambodja en het voormalige Joegoslavie zijn gestationeerd. Dat hij er niet van slapen kan, is misschien wat veel gezegd, maar het houdt hem wel bezig. Troepen sturen is één, maar doden ophalen is wat anders. Hij voelt zich betrokken bij degenen die uitgezonden zijn. “Ik vind dat iemand die zoiets alleen maar in puur klinische, operationele termen kan zien, die alleen maar werkt met begrippen als troepen eenheden en middelen en die niet voortdurend ziet dat het om mensen van vlees en bloed gaat, gewoon niet deugt voor het vak”, zei hij vorige maand in het interview in Opzij.

Het is Relus ter Beek ten voeten uit. Hij is de beminnelijkheid zelve, altijd aardig. Maar het is tegelijkertijd zijn grootste handicap. Want voor iedereen aardig willen zijn en duidelijk leiding geven gaat maar zelden samen.