Verdeeld oliekartel wankelt door overproduktie; Steeds meer kleinere OPEC-landen dringen aan op produktiebeperking

ROTTERDAM, 24 NOV. De olieministers van de 13 lidstaten van OPEC (Organisatie van olie exporterende landen) buigen zich vanaf vanavond in Wenen over een heikel onderwerp: de huidige overproduktie van het kartel. Steeds meer kleinere lidstaten van OPEC dringen aan op een produktievermindering om de sterke daling van de olieprijs van de laatste maanden op de wereldmarkt tot staan te brengen.

Gisteren daalde de prijs per vat (159 liter) Noordzee-olie op de termijnmarkt in Londen opnieuw na berichten uit Saoedi-Arabië, verreweg de grootste olieproducent, dat dit land zijn export niet wil verminderen. Vrijdagavond was de slotnotering in Londen nog 19,36 dollar per vat, maar gisteren werd bij een zeer stille markt al 19,12 dollar betaald.

OPEC hanteert officieel nog steeds een richtprijs van 21 dollar per vat voor het gemiddelde van zeven oliesoorten afkomstig van zijn lidstaten. Maar die prijs werd alleen gedurende een korte periode in de Golfoorlog nog gehaald (en overtroffen). Gisteren stond de notering voor het OPEC-gemiddelde volgens het secretariaat van OPEC in Wenen op 18,66 dollar per vat, tegen 19,56 dollar in oktober en 19,40 dollar in september.

Rotterdamse handelaren zeggen dat OPEC, om deze prijs op te krikken, deze week tot een produktievermindering zou moeten besluiten van “zeker” een half miljoen vaten, “maar eigenlijk zou het nog veel meer moeten zijn”. “Er is momenteel veel te veel olie op de markt”, zegt een termijnhandelaar, die zijn naam niet in de krant wil. “In West-Europa zijn de voorraden tot een historisch hoog niveau gestegen. Zo'n 70 tot 80 procent van de opslagcapaciteit is bezet.”

In hun vergadering van september zagen de OPEC-ministers deze bui al hangen, maar ze konden het niet eens worden over een forse beperking. Slechts een verklaring dat OPEC in het vierde kwartaal van dit jaar aan “een marktaandeel” van 24,2 miljoen vaten per dag wenste vast te houden, was het resultaat van die bijeenkomst. Intussen is de werkelijke produktie meer dan een miljoen vaten hoger: 25,3 miljoen vaten ofwel bijna 40 procent van de huidige wereldproduktie van ruwe olie.

Begin deze maand begon een groep kleine en middelgrote OPEC-lidstaten aan een actie om de geesten rijp te maken voor verandering, maar tot nu toe bleef dat zonder resultaat. De Algerijnse olieminister Hacense Mefti schreef op 5 november een brandbrief aan zijn collega van de Verenigde Arabische Emiraten, de fungerend OPEC-voorzitter, om via een spoedvergadering tot vrijwillige beperkingen te komen. Algerije behoort tot de lidstaten die met ernstige economische problemen kampen en die afhankelijk zijn van een behoorlijke olieprijs om voldoende inkomsten binnen te krijgen. Ze moeten opboksen tegen grote produktielanden als Saoedi-Arabië en Iran die onderling strijd voeren om meer marktaandeel binnen OPEC, gevoed door ideologische en politieke tegenstellingen.

Voor de kleinere olieproducenten is de richtprijs van 21 dollar extra van belang, omdat zij geen mogelijkheden voor compensatie hebben door hun produktie te verhogen. Voor grote producenten is het eenvoudig om de kranen wat verder te openen en per dag meer olie op de markt te brengen. Algerije produceert bijvoorbeeld 800.000 vaten per dag en Saoedi-Arabië meer dan tien maal zoveel: ongeveer 8,4 miljoen vaten per dag. Dit land heeft zoveel oliebronnen dat het zijn produktie tijdens de Golfcrisis binnen korte tijd van 5 tot 8 miljoen vaten per dag wist te verhogen.

In zijn brief waarschuwde de Algerijnse minister al voor de gevolgen van recente aankondigingen door diverse grote OPEC-producenten (onder andere Iran en Saoedi-Arabië) dat zij hard werken aan een verruiming van hun produktiecapaciteit “die op de oliemarkt de indruk wekken dat OPEC opnieuw terechtkomt in een productieperiode waarin het "free for all' het leidend beginsel is”. Of de vergadering van de komende dagen die indruk kan wegnemen is zeer de vraag. De Indonesische minister van oliezaken Ginanjar Kartasamita, die ook een klein olieproducerend land vertegenwoordigt, zei gisteren bij zijn vertrek naar Wenen: “Ik ben zeer pessimistisch. Als ik alleen al kijk naar de huidige overproduktie, kan ik niets anders zeggen.”

Algerije deed ook een dringend beroep op de OPEC-voorzitter spoedig een beleid af te kondigen waarin wordt teruggekeerd naar een strikt gezamenlijk produktieplafond, gebaseerd op individuele quota's per lidstaat. Daarover zal de komende dagen in Wenen een stevige discussie ontstaan. Sinds het begin van de Golfcrisis, in augustus 1990, had OPEC deze quota's losgelaten om een tekort op de oliemarkt te voorkomen. Alle lidstaten werden vrijgelaten om zoveel olie op de markt te brengen als toen mogelijk was. Dat heeft op zich goed gewerkt en het was zeer voordelig voor de Westerse consumptielanden. OPEC reageerde coöperatief op het verzoek van de Amerikaanse president Bush om het Westen niet de dupe te laten worden van de agressie van Saddam Hussein. Maar voor de kleine producenten bracht het alleen maar nadeel.

Intussen heeft Koeweit bijna zijn oude produktieniveau van vóór de invasie door Irak weer bereikt (1,5 miljoen vaten per dag) en dit land wil zijn capaciteit nu snel verder uitbreiden om aan inkomsten te komen voor het herstel van de oorlogsschade. Zodra Irak met de Verenigde Naties overeenstemming bereikt over hervatting van zijn olieproduktie, is een nog groter aanbod op de markt te verwachten.