Vakman met mateloze werkdrift

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN H. VAN DEN BROEK (CDA)

Begroting: 670 miljoen Aantal ambtenaren: 2.400 Belangrijkste beleidsdocument: Rede over de toekomst van het buitenlands beleid, uitgesproken op 17 september in Leiden.

Drie jaar oud is het kabinet Lubbers/Kok, tijd voor een tussenbalans. Vandaag het achtste deel uit een serie evaluerende portretten: H. van den Broek, minister van buitenlandse zaken.

DEN HAAG, 24 NOV. Na tien jaar ministerschap weet Hans van den Broek dat mensen hem gauw belerend vinden, als betweter ervaren, als een man die per se het beste jongetje van de klas wil zijn. Hoewel hij opmerkingen daarover in de media weghoont als "zieleknijperij', heeft hij toch geprobeerd er iets aan te veranderen.

Maar het wil niet echt, het behoort niet tot zijn natuur enthousiasme voor zichzelf te wekken, mensen aan zich te binden. Hij moet het blijven hebben van de waardering en het respect dat men voor hem als vakman heeft, voor zijn consistente en consequente beleid, voor zijn niet te stuiten werkdrift.

Of dat voldoende is om straks voor een nieuw ministerschap in aanmerking te komen, zal van Brinkman (en van de verkiezingsuitslag) afhangen. Vier jaar geleden, in november 1989, vond iedereen het heel normaal dat mr. Henri van den Broek voor de derde, achtereenvolgende keer door Lubbers werd gevraagd.

In de PvdA moest men even wat wegslikken bij de gedachte aan de in hun ogen conservatieve en ook strenge, soms zelfs starre Atlanticus, die een groot aandeel had gehad in het uiteindelijke Nederlandse "ja' tegen de kruisraketten. Maar ook de PvdA-specialisten waren onder de indruk van zijn kennis; ze vonden hem bovendien "straight', hij meende wat hij zei, hij draaide niet om zijn standpunt heen.

Zo hoog was zijn aanzien in eigen kring dat begin 1990 bij de CDA-leiding zonder aarzelen Hans van den Broek als premier werd genoemd “als Lubbers vandaag onder de tram zou komen”. Van den Broeks ster zou nog verder stijgen. Eind 1989, begin 1990 bevond Europa zich in het proces van de revoluties in Oost-Europa. De realist Van den Broek zag al snel de onvermijdelijkheid van de Duitse hereniging en koos consequent voor een weg waarin het DDR-deel ook in EG en NAVO zou worden opgenomen.

Die keuze was niet vanzelfsprekend. Een flink deel van de Tweede Kamer wilde volledige hereniging liever omzeilen. Van den Broek zette de toon van het debat. In overleg na overleg met de Kamer voerde hij het hoogste woord, kwam ook zijn belerende klankje steeds sterker door. Ook in de CDA-fractie hief men soms de ogen gekweld ten hemel. Gevoel voor sfeer en atmosfeer, voor menselijke verhoudingen en behoeftetjes, was (en is) niet de sterkste kant van zijn karakter. Zelden ook deelt de minister op het departement schouderklopjes uit. “Hij denkt dat iedereen net zo'n workaholic is als hijzelf”, kan men horen zeggen. Een clubje ambtenaren, dat onlangs net met Van den Broek een lange en intensieve buitenlandse reis had gemaakt, weigerde 's avonds bij terugkeer op het departement opnieuw uitvoerig aan een bespreking te beginnen. Ze gingen naar huis, de minister vol onbegrip achterlatend.

In de Golfoorlog was het opnieuw Van den Broek die de lijn bepaalde, initiatieven nam, die onvermoeid pleitte voor een grotere Nederlandse deelname aan de geallieerde tegenacties. Soms gebeurde dat met zoveel ijver dat men enige maanden pijnlijk moest leuren met een squadron F-16's, omdat Van den Broek die nu eenmaal had aangeboden.

Tijdens vele bijeenkomsten met de Kamer over de Golfoorlog overstemde hij openlijk zijn collega van defensie, Relus ter Beek. Ook in het kabinet munt hij niet uit door fijngevoeligheid tegenover de anderen. “Z'n standpunt is meestal voorspelbaar, maar heel degelijk”, zegt een collega.

Behoud van de band met de VS is een constante factor. De minister heeft zich bijvoorbeeld lang verzet tegen een met de EG gelieerd veiligheids- en defensiebeleid; hij was bang voor uitschakeling van de VS.

Met de succesvol verlopende geallieerde tegenaanval op de Iraakse bezettingstroepen in Koeweit in januari 1991 bereikte Hans van den Broek niettemin het hoogtepunt van zijn aanzien. De ontwikkelingen hadden hem gelijk gegeven en ook in de rest van de wereld was opgevallen dat Van den Broek de drijvende kracht was geweest achter de Nederlande militaire deelname. De minister werd gedurende een half uur op het Witte Huis uitvoerig gecomplimenteerd door president Bush. Grote kranten als Le Monde, The Times interviewden hem, hij verscheen met regelmaat in nieuws- en praatprogramma's van CNN, BBC, ITN en zelfs van CBS. Hij genoot ervan.

In deze sfeer van lichte euforie begon de minister de tweede helft van 1991 aan het EG-voorzitterschap. Er is, en er wordt nog steeds, veel en gedetailleerd bericht in de Nederlandse media over de twee belangrijkste thema's uit die periode: Joegoslavië en het Nederlandse ontwerp-verdrag voor de politieke unie. Over de Joegoslavië-zaak treft Van den Broek, in tegenstelling tot wat vooral Duitse media beweren, geen blaam. Hij probeerde met overgave om de vrede te handhaven met wapenstilstanden en vredesverklaringen. Hij kon niet meer doen dan de meerderheid van de EG-landen hem toestond, maar de Joegoslavische partijen wilden geen vrede.

Wat het ontwerp-verdrag voor de politieke unie betreft, dat eindigde op "black monday' smadelijk in de prullenmand. Premier Lubbers en staatssecretaris Dankert hadden minstens evenveel schuld aan het gebeurde als de minister. Maar onder Van den Broeks verantwoordelijkheid had de Nederlandse diplomatie gefaald als zelden tevoren.

Ook op EG-niveau had zich gewroken dat Van den Broek zeer belerend kon zijn tegenover zijn ministerële collega's. Mannen als Genscher en Dumas, twee hoofdrolspelers in het drama van de zwarte maandag, hadden geen reden hun Nederlandse collega, die toch altijd alles zo goed wist, even in vertrouwen duidelijk te maken dat Nederland een blunder dreigde te begaan. Ze lieten hem rustig in het open mes lopen.

Hans van den Broek was enige tijd tamelijk aangeslagen door het gebeurde, maar hij heeft zich inmiddels hersteld. Hij is duidelijk grijzer geworden, maar ook anderszins is hij niet meer helemaal dezelfde. In de Kamer is zijn woordenstroom afgenomen, zijn toon en zijn houding zijn een slag bescheidener. Hij laat ook bij gelegenheid Lubbers en Ter Beek meer aan het woord komen.

De laatste maanden wekt hij de indruk mogelijk na mei 1994 toch weer minister te willen worden. Hij heeft ook nooit gezegd dat hij niet zou willen, maar met zijn uitspraak in december 1990 tegenover Vrij Nederland dat de kans “uiterst beperkt” was, leefde iedereen in die veronderstelling.

Op het Binnenhof wordt gezegd dat Van den Broek wil blijven, nu hij door de herbenoeming van Manfred Wörner niet naar de NAVO kan. Waarschijnlijk is die verklaring te simpel. Hans van den Broek (binnenkort 56) is gewoon een beetje verslaafd aan zijn werk en hij vindt dat hij het goed heeft gedaan.